onderwijsbeleid

anders in de klas

In 2014 bracht het SCP het evaluatierapport uit over proefprojecten in ruim 130 scholen voor PO en VO. Elke school had € 8.000 (PO) of € 10.000 (VO) gekregen voor een experiment van een jaar. De hoofdconclusie was dat veel scholen externe voorlichters hadden binnengehaald en minder zelf an de slag waren gegaan dan gehoopt. Extern voorlichters hebben wel enig positief resultaat gehad, maar dat was onvoldoende voor blijvende effecten op het gedrag van leerlingen of het sociale klimaat van scholen.

Bucx, Van der Sman (2014) Anders in de klas. Evaluatie van de pilot Sociale Veiligheid LHBT-jongeren op school, Den Haag: SCP (pdf volledige rapport)

samenvatting

Er werden voornamelijk (statistisch significante) effecten aangetoond in het basisonderwijs: houdingen van leerlingen ten aanzien van LHBT’s werden positiever en dat gold ook voor hoe veilig leerlingen zich voelden in de klas. Bij dit laatste gaat het om een algemene en niet om een LHBT-specifieke verandering. Deze effecten waren relatief klein maar lagen vaak wel in dezelfde orde van grootte als gevonden in eerder onderzoek naar de effecten van interventies op pestproblematiek. In het VO waren de effecten beperkt. Er zijn geen significante veranderingen over de hele linie. Alleen bij protestants christelijk scholen en leerlingen met een niet-Westerse achtergrond verandert de houding significant (niet gedrag of weerbaarheid).

Een overzicht van de punten waarop verandering zijn gemeten na de pilots:

GemetenEffect in basisonderwijsEffect in voortgezet onderwijsToelichting 
Houding    
Afwijzen van zoenenwelniet 
Geen les willen van homodocentwelniet 
Probleem met onduidelijk genderwelniet 
Moeite met mensen die kleren andere sekse dragenwelnietalleen minder bij meisjes in VO
Schoolklimaat   
Homoscheldennietnietneemt toe
Leerkracht grijpt in bij homoscheldennietnietneemt af
Klasgenoten zeggen iets van homoscheldennietniet 
Hoe vaak klasgenoten iets ervan zeggennietniet 
Niet vertellen dat je homo bentnietniet 
Gedrag (intenties)   
Grappen maken over iemand die raar isnietniet 
Homo roepen naar meisjesachtig iemandnietniet 
Weerbaarheid   
Naar leerkracht toetstappen bij problemennietniet 
Hulp vragen van vrienden/klasgenotennietniet 
Zelf gaan vechten of scheldennietniet 
Doen alsof je niks hoortnietniet 
Niets doennietniet 
Ervaringen van LHB leerlingen    
Jezelf veilig voelen in de klasn.v.tniet 
Te maken krijgen met agressief gedragn.v.tniet 
Naar leerkracht toetstappenn.v.tniet 
Hulp vragen van vrienden/klasgenotenn.v.tniet 
Zelf gaan vechten of scheldenn.v.tniet 
Doen alsof je niks hoortn.v.tniet 
Niets doenn.v.t.niet 
Op scholen met veel activiteiten    
minder moeite met een jongen die graag meisjeskleren aantrektnietwel 
mate waarin er gescholden wordt met het woord 'homo'nietwel 

De volgende paragrafen bevatten enkele relevante citaten uit het rapport.

gedrag

Een kleine minderheid van de leerlingen in het primair onderwijs zegt het leuk te vinden een grap te maken over iemand die er raar of stom uitziet (tabel 5.4). Ook het aandeel leerlingen op het PO dat zegt dat hij/zij homo roept wanneer een jongen zich meisjesachtig gedraagt, een grap maakt over een jongen die homo is of een meisje dat lesbisch is, en dat vindt dat je homo’s mag uitschelden, is relatief klein. We zien nauwelijks veranderingen over tijd, en geen effect van de pilot hierop.

In het voortgezet onderwijs zegt ongeveer één op de tien leerlingen het leuk te vinden een grap te maken over iemand die er raar of stom uitziet, iets meer leerlingen zeggen homo tegen jongens die zich meisjesachtig gedragen. In beide gevallen is er tussen voor- en nameting een kleine toename, maar we vinden geen effect van het project. Net als in het PO is het aandeel leerlingen dat zegt een grap te maken over een jongen die homo is of een meisje dat lesbisch is, relatief klein, net als het aandeel leerlingen dat vindt dat je homo’s mag uitschelden. Ook hier zien we nauwelijks veranderingen over tijd, en geen effect van de pilot.

weerbaarheid

Hoe reageert een potentieel slachtoffer, hoe weerbaar zijn leerlingen tegenover agressief gedrag? Bijna vier op de tien leerlingen in het primair onderwijs geeft aan dat hij of zij in dat geval naar de leerkracht zou toestappen voor hulp (tabel 4.5). Ruim één op de zeven leerlingen zou in dat geval hulp vragen aan klasgenoten of vriendjes, en iets minder leerlingen zouden zelf gaan vechten of gaan schelden. Ruim een derde van de leerlingen zou voor een meer passieve reactie kiezen, zoals weglopen, doen alsof hij/zij het niet hoort, huilen of niets doen. In het voortgezet onderwijs is het beeld ongeveer hetzelfde, al stappen leerlingen hier minder vaak naar de leraar.

Zowel op het PO als het VO zien we nauwelijks veranderingen over de tijd in deze patronen, en de pilot heeft hierop geen effect gehad.
Ook in het voortgezet onderwijs zegt ongeveer een derde van de leerlingen dat zij zouden vragen om het pesten te stoppen. Ongeveer twee op de tien leerlingen zou de docent om hulp vragen. Ongeveer één op de acht leerlingen zou troost bieden. En ongeveer een derde zegt in zo’n geval niets te zullen doen. VO-leerlingen kiezen vaker voor die laatste optie dan leerlingen in het PO. Het maakt daarbij echter nauwelijks uit of het slachtoffer een LHB’er is of niet. Zowel bij het PO als in het VO zien we nauwelijks veranderingen over tijd, de pilot heeft geen effect hierop gehad.

schoolklimaat

In het primair onderwijs geeft ongeveer drie op de tien leerlingen aan dat het woord ‘homo’ vaak of regelmatig als scheldwoord wordt gebruikt in hun klas (tabel 5.3). Dit aandeel neemt toe tussen voor- en nameting, in gelijke mate voor zowel de experimentgroep als de controlegroep. We vinden dus geen effect van het project. Twee van de drie leerlingen geven aan dat de leerkracht altijd of meestal ingrijpt wanneer het woord homo als scheldwoord wordt gebruikt; de rest vindt dat dat minder vaak gebeurt. Dit verandert niet over de tijd, en we zien hier geen effect van de pilot. De pilot heeft ook geen effect gehad op hoe vaak klasgenoten er iets van zeggen; zowel tijdens de voor- als tijdens de nameting geeft bijna een derde van de leerlingen aan dat dat altijd of meestal gebeurt. Ten slotte geeft ongeveer een derde aan dat leerlingen die (ook) op hetzelfde geslacht vallen dit zelden of nooit zouden kunnen vertellen in hun klas, en dat komt overeen met wat we weten uit eerder onderzoek (Keuzenkamp en Kuyper 2013). We zien een lichte afname tussen de voor- en de nameting hier, maar de experiment- en de controlegroep verschillen hier niet in. De pilot lijkt ook hier dus geen effect op te hebben gehad.

In het voortgezet onderwijs geeft ruim een derde van alle leerlingen tijdens de voormeting aan dat het woord ‘homo’ vaak of regelmatig als scheldwoord wordt gebruikt in hun klas (tabel 5.3). Tijdens de nameting vindt ruim de helft dat, een opvallende toename. We zien hierin echter geen verschil tussen de experimentele groep en de controlegroep: de pilot heeft hier dan ook geen effect op. Ongeveer de helft van alle leerlingen geeft aan dat de leerkracht altijd of meestal ingrijpt wanneer het woord homo als scheldwoord wordt gebruikt; de rest vindt dat dat minder vaak gebeurt. Tijdens de nameting zien we hier een afname, zowel bij de experimentele als in de controlegroep. Ook hier zien we geen effect. Het gebeurt niet zo vaak dat klasgenoten er iets van zeggen: ruim één op de tien leerlingen geeft aan dat dat altijd of meestal gebeurt. We vinden geen verschil tussen voor- en nameting, en daarmee ook geen effect.

Ongeveer drie op de tien leerlingen geven aan dat leerlingen die (ook) op hetzelfde geslacht vallen dit nooit of zelden zouden kunnen vertellen in hun klas, en dat is in lijn met eerder onderzoek (Keuzenkamp en Kuyper 2013). We zien geen verschil tussen de voor- en de nameting hier, noch in de experimentgroep noch in de controlegroep, en we vinden dan ook geen effect van de pilot hierop.

gevoel van veiligheid van (LHBT) leerlingen

Ongeveer zeven op de tien LHB-leerlingen in het voortgezet onderwijs ervaren zijn of haar klas altijd of meestal als gezellig en fijn, en als veilig, en heeft hij of zij het gevoel erbij te horen (tabel 5.8). De leerlingen in de experimentgroep zijn tijdens de voormeting wat negatiever over hun klas vergeleken met de leerlingen in de controlegroep. Tijdens de nameting is het omgekeerde het geval: daar zijn de leerlingen in de experimentgroep wat positiever. Er is één effect van de pilot, namelijk op de mate waarin leerlingen zich veilig zeggen te voelen in de klas: er is een toename te zien in de experimentgroep en een afname in de controlegroep, en dit verschil is statistisch significant.

LHB-leerlingen in het voortgezet onderwijs zeggen zelf wat meer effecten van de pilot te zien dan niet-LHB leerlingen. Ongeveer drie op de tien LHB-leerlingen zegt minder gepest te worden en zich veiliger te voelen na de lessen over omgangsvormen. Bijna twee op de tien LHB-leerlingen heeft de indruk dat het woord ‘homo’ minder vaak als scheldwoord wordt gebruikt.
In het primair onderwijs was er veel aandacht voor het bevorderen van (meer feitelijke) kennis over seksuele en/of genderdiversiteit. Leerlingen hebben vooral meer kennis verworven over wat een biseksueel of transgender is, aldus leerkrachten en leerlingen zelf. Dit waren termen die leerlingen vaak nog niet kenden. De meeste leerlingen wisten wel wat homoseksualiteit was, maar ook dat was niet op alle scholen het geval. Sommige leerlingen kenden het woord alleen als scheldwoord, zo was de ervaring van deze voorlichter, en dat gold met name voor leerlingen voor wie het vanwege hun religieuze of culturele achtergrond niet gebruikelijk was om hier over te praten:

"Ik zei op een gegeven moment: ik ben homo. 'O, maar dat is een scheldwoord meneer'. Dat soort dingen. Ja, dan merk je gewoon van wat voor achtergrond komen leerlingen. Dat zijn ze echt niet gewend." (voorlichter PO-scholen)

Verder geven leerkrachten aan dat leerlingen door het project hebben geleerd dat seksuele en gender diversiteit aangeboren is en niet een keuze. Dit heeft er bij een aantal leerlingen toe geleid dat zij zich beseffen dat je aan sommige dingen niets kunt doen, omdat je daar nu eenmaal mee geboren wordt.
(...)
Ten slotte geven docenten aan dat het voor de meeste klassen niet realistisch is om te verwachten dat je binnen vier of zes lessen een zodanig vertrouwelijke sfeer hebt weten te creëren.

We vinden geen effect van de pilot op de mate waarin LHB-leerlingen geconfronteerd worden met agressief of pestgedrag. Ongeveer vier op de tien LHB-leerlingen zegt vaak of regelmatig een dergelijke vervelende ervaring mee te maken, en dat is niet veranderd door de pilot.
Gezien het bescheiden effect in het VO is het opmerkelijk dat de leerlingen met lesbische, homo- of biseksuele gevoelens zich er vaker veiliger gingen voelen. Mogelijk zorgde alleen al het feit dat door de pilot dit onderwerp bespreekbaar werd, ervoor dat deze leerlingen zich meer gesteund voelden op school. Wat mogelijk ook meespeelde was dat sommige leerlingen door de lessen merkten dat klasgenoten minder negatief over homoseksualiteit waren dan zij dachten (122).

aanvullende analyse

We hebben (...) onderscheid gemaakt tussen een controlegroep waarin weinig tot geen activiteiten zijn uitgevoerd en een controlegroep waarin er wel (veel) activiteiten zijn geweest. Uitkomsten zijn slechts in enkele opzichten verschillend. In het voortgezet onderwijs vinden we nu wel enkele effecten: leerlingen hebben nu minder moeite met een jongen die graag meisjeskleren aantrekt en we vinden een negatief effect op de mate waarin er gescholden wordt met het woord ‘homo’.