onderwijsbeleid

lesbische en homoseksuele adolescenten in de schoolsituatie

Kersten, Anne, en Theo Sandfort (1994), Lesbische en homoseksuele adolescenten in de schoolsituatie. Een inventarisatie van knelpunten, problemen en oplossingen, Utrecht: Interfacultaire Werkgroep Homostudies, 1994
Download hier het volledige rapport

In d hoofdstuk 1 wordt de aanleiding tot het onderzoek en de probleemstelling geschetst. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 het onderwerp van onderzoek inhoudelijk ingeleid en worden de centrale begrippen geëxpliciteerd. Hoofdstuk 3 bevat de methodologische verantwoording van dit onderzoek. In de volgende vier hoofdstukken worden aan de hand van de afzonderlijke onderzoeksvragen de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 4 wordt gaat het allereerst om de bijdrage van het sociale klimaat onder scholieren aan knelpunten en problemen voor homoseksuele en lesbische leerlingen. In hoofdstuk 5 worden de geïnventariseerde knelpunten beschreven. In hoofdstuk 6 volgt een beschrijving van psychosociale problemen, terwijl in hoofdstuk 7 schoolse activiteiten en methoden ter oplossing of preventie van knelpunten en problemen worden beschreven. In hoofdstuk 8 worden, ter afsluiting, de belangrijkste onderzoeksresultaten besproken en aanbevelingen geformuleerd ten behoeve van het beleid.

methodologie

Ter beantwoording van de onderzoeksvragen zijn vier deelonderzoeken uitgevoerd:

  1. schriftelijke vragenlijst onder 68 leerlingbegeleiders
  2. mondelinge interviews onder 19 leerlingbegeleiders
  3. schriftelijke vragenlijst onder 1827 leerlingen(49% jongens en 51% meisjes) van 22 scholen
  4. mondelinge interviews met 15 homoseksuele en 17 lesbische scholieren en 18 homoseksuele en 17 lesbische ex-scholieren

schoolklimaat

Het algemene klimaat op school ten aanzien van homoseksualiteit wordt door leerlingbegeleiders gezien als een afspiegeling van het maatschappelijke klimaat: meer tolerantie dan werkelijke acceptatie. Onder de oppervlakte spelen met betrekking tot homoseksualiteit verschillende problemen, wat vaker op de christelijk scholen en scholen buiten de Randstad. Het klimaat leidt volgens de leerlingbegeleiders tot onzichtbaarheid van homoseksualiteit; dit in tegenstelling tot heteroseksualiteit waarbij verliefdheden en relaties tussen leerlingen over het algemeen wel openlijk worden vormgegeven.

weinig ruimte openheid

Hoewel leerlingen volgens de leerlingbegeleiders weinig bekend zijn met homoseksualiteit, lijkt het voor veel leerlingen wel een onderwerp waar men, met daaraan gerelateerde onzekerheid, mee bezig is. In sterkere mate voor jongens dan voor meisjes lijkt er echter weinig ruimte te zijn voor openlijke uitingen van of positieve aandacht voor homoseksualiteit. In de klas lijken leerlingen vaak voorzichtiger in houding en mening te zijn dan daarbuiten. De associatie met homoseksualiteit wordt in de regel echter gemeden.

negatieve bejegening

De algemene houding leidt volgens de leerlingbegeleiders tot negatieve bejegeningen van scholieren van wie bekend is of vermoed wordt dat zij homoseksueel of lesbisch zijn; afwijken van sekserol stereotiep gedrag als zodanig kan ook een aanleiding vormen voor negatieve bejegening. Deze negatieve bejegening lijkt sterker te zijn onder jongens en in klassensituaties waarin jongens getalsmatig de meerderheid vormen.

leerlingen individueel positief

Wanneer leerlingen zelf het klimaat ten aanzien van homo seksualiteit in de klas moeten inschatten, acht ruim de helft dit negatief. Zelf zegt men vaak positief over homoseksualiteit te denken: ongeveer één op de negen scholieren onderschrijft negatieve stereotiepe ideeën over homoseksuele mannen en vrouwen. Een ruime meerderheid (drie kwart van de ondervraagden) vindt ook dat op school openlijke informatie over homoseksualiteit moet worden verstrekt. Wanneer dit wat concreter wordt - de vertoning van een video over homoseksualiteit - is men wat minder open.

negatief als het dichtbij komt

Ondanks de relatief grote openheid ten aanzien van homoseksualiteit stemt één op de zes leerlingen in met discriminerende regels ten aanzien van homoseksualiteit. Ook wanneer homoseksualiteit dichterbij komt is men minder positief: ruim een derde van de leerlingen zou zich ongemakkelijk of seksueel bedreigd voelen wanneer een klasgenoot hen in vertrouwen informeert over de eigen lesbische of homoseksuele voorkeur. In samenhang hiermee wordt ook openlijk homoseksueel gedrag van jongens of meisjes afgewezen. Een angst die bij de scholieren in sterke mate leeft is dat men, door de omgang met homoseksuele of lesbische leerlingen zelf voor homoseksueel wordt aangezien; bij drie van de vijf scholieren bestaat een dergelijke angst.

afstand houden

Hoe homoseksualiteit ervaren wordt komt ook tot uitdrukking in de manier waarop men zich ten aanzien van homoseksuele en lesbische leerlingen zou gedragen. Bijna de helft is geneigd hen op de een of andere manier op afstand te houden. Er zijn bovendien maar weinig leerlingen die een klasgenoot openlijk en onvoorwaardelijk zouden steunen wanneer deze door voor de homoseksuele of lesbische gevoelens uit te komen, in problemen zou raken.

jongens negatiever

Zowel als het gaat om beeldvorming, emotionele reacties als om gedragsintenties in verband met homoseksualiteit blijken jongens uitgesproken negatiever te zijn dan meisjes. Voor zover er verschillen zijn in verband met schooltypen blijken scholieren die HAVO/VWO volgen minder negatief tegenover homoseksualiteit te staan dan leerlingen van VBO en MAVO.

negatieve beeldvorming

Zoals verwacht blijken negatieve gedragsintenties ten aanzien van homoseksuele of lesbische klasgenoten verklaard te worden uit een afwijzende en gesloten houding en uit negatieve beeldvorming ten aanzien van homoseksualiteit. Een afwijzende houding ten aanzien van homoseksualiteit blijkt onder leerlingen vervolgens vooral voort te komen uit de negatieve stereotiepe ideeën die leerlingen over homoseksuele mannen en lesbische vrouwen hebben, gekoppeld aan negatieve gevoelsmatige reacties op homoseksualiteit (angst voor associatie met homoseksualiteit en zich seksueel bedreigd voelen). Negatieve beeldvorming ten aanzien van homoseksualiteit blijkt gekoppeld aan een afwijzende houding ten aanzien van emancipatie van vrouwen, allochtonen, en aan een meer algemene maatschappelijke desinteresse. Emotionele reacties ten aanzien van homoseksualiteit blijken echter los te staan van deze meer algemene houding.

Opvallend is dat hoewel meisjes over het algemeen minder negatief tegenover homoseksualiteit staan dan jongens, negatieve gedragsintenties in relatie tot homoseksualiteit bij hen door hetzelfde complex van samenhangende factoren worden verklaard als bij jongens.

knelpunten schoolsituatie

De geïnterviewde leerlingbegeleiders zijn over het algemeen van mening dat de leerstof voor homoseksuele en lesbische leerlingen weinig informatief is en vrijwel ook geen mogelijkheden voor herkenning biedt. Van de directie en collega's denkt men dat over het algemeen de houding ten aanzien van homoseksualiteit wel positief is, toch zijn er collega's met negatieve opvattingen die daar in de klas ook uitdrukking aan geven. Er is soms ook onverschilligheid in houding of gedrag. Van homoseksuele of lesbische collega's vindt men dat deze vaak in een kwetsbare positie zitten zodat het moeilijk is om naar buiten te treden en herkenning te bieden.

houding medeleerlingen

Medeleerlingen zijn volgens de leerlingbegeleiders echter het grootste knelpunt. Voornamelijk in relatie tot homoseksuele jongens melden de leerlingbegeleiders negatieve reacties als schelden, buitensluiten of fysieke agressie. Men veronderstelt dat leerlingen over het algemeen goed weten dat het maar beter is om niet voor de homoseksualiteit uit te komen. Het isolement waarin men daardoor kan geraken wordt door de leerlingbegeleiders als knelpunt naar voren gebracht.

anders voelende holebis

Homoseksuele en lesbische scholieren voelen zich over het algemeen anders dan hun leeftijdgenoten. Ze hebben minder interesse in de onderwerpen waar seksegenoten zich mee bezighouden. Met name jongens voelen zich, vaak al voor zij hun homoseksuele gevoelens als zodanig benoemd hebben, niet thuis bij het stoere gedrag van hun seksegenoten. De homoseksuele jongens doen niet mee aan het praten over meisjes en de lesbische meisjes zijn niet betrokken bij gesprekken over de heteroseksuele verliefdheden van hun seksegenoten.

Homoseksuele meisjes en jongen ervaren niet alleen dat zij door hun klasgenoten anders gezien worden, ze zien zichzelf ook als anders. De jongens denken dat het als anders gezien worden te maken heeft men hun (meestal veronderstelde) homoseksualiteit. Met duidelijk andere belangstellingen nemen de meeste geïnterviewde homoseksuele en lesbische scholieren deel aan kleine subgroepjes, waar men meer geïnteresseerd is in maatschappelijke onderwerpen en ook op school in politieke zin actiever is. Zowel jongens als meisjes plaatsen zich op deze manier buiten de groep, maar ze ontlenen er soms ook een positie aan waarmee ze zich beter kunnen handhaven.

Zowel de homoseksuele jongens als de lesbische meisjes verwachten onder klasgenoten geen klimaat waarin zonder negatieve gevolgen openlijk over homoseksualiteit kan worden gesproken. In de praktijk betekent dit meestal dat men hier dan ook over zwijgt. Wel is men er op gespitst te horen hoe men er in de klas over denkt. Als er al aandacht is voor homoseksualiteit gebeurt dat meestal in een denigrerende, lacherige sfeer. Er is weinig serieuze aandacht. Ook de afwezigheid van homoseksualiteit in het lesmateriaal wordt als een gemis ervaren. Het vertraagt volgens de geïnterviewden het proces van het herkennen en betekenis gaan geven aan de homoseksuele gevoelens. Een ander gevolg is dat men daardoor negatieve confrontaties in de klassensituatie voorkomt.

rolmodel is niet altijd positief

Zowel de geïnterviewde jongens als de meisjes kennen in de regel vooral leraren maar ook leraressen waarvan men weet of vermoedt dat zij homoseksueel of lesbisch zijn. Dit levert voor hen niet altijd positieve voorbeelden op. Soms wordt een leerkracht te nichterig gevonden, soms confronteert een leraar de jongen met een aspect van homoseksualiteit waar de desbetreffende jongen juist moeite mee heeft. Sommige voorbeelden worden als 'triest' waargenomen. Los daarvan nemen de homoseksuele scholieren ook de dreigende sfeer waar die er ten opzichte van homoseksuele en lesbische leerkrachten op school bestaat.
De geïnterviewden kennen slechts in enkele gevallen homoseksuele en lesbische medeleerlingen; ook dat geeft hen een gevoel eenzaam en alleen te zijn.

psychosociale problematiek

De leerlingbegeleiders merken op dat het proces van ontdekken van de homoseksuele of lesbische gevoelens voor hen grotendeels een onzichtbaar proces is. Ze veronderstellen dat de verwerving van een homoseksuele identiteit gepaard gaat met een verlies aan eigenwaarde en met marginalisering. Vermoed wordt dat dit proces en de daaraan gekoppelde moeilijkheden in de schoolsituatie maar door weinigen worden onderkend of opgemerkt.

homoseksualiteit alleen aan de orde als probleem

Wat jongens betreft is herkenning soms mogelijk op basis van het buiten de groep staan of het bij de groep afsteken. Bij meisjes worden geen herkenningspunten genoemd: als men het weet dan komt dat doordat het meisje het zelf kenbaar heeft gemaakt. Een gevolg hiervan is dat aan slechts weinig lesbische of homoseksuele jongeren hulp geboden wordt en dan nog vrijwel alleen op initiatief van de jongere zelf. Erover praten is naar het oordeel van de leerlingbegeleiders voor beide partijen moeilijk. Als het tot een gesprek komt blijken problemen vaak al langere tijd te spelen en het aankaarten ervan gebeurt vaak indirect. Homoseksualiteit komt in die gesprekken vaak in de context van andere problematiek aan de orde. In contacten die leerlingbegeleiders met verschillende homoseksuele en lesbische scholieren hebben gehad worden uiteenlopende problemen gesignaleerd: studieproblemen, gedragsproblemen en psychosociale problemen, waaronder angst, isolement, depressie en schaamte- en schuldgevoelens.

buiten de groep staan

In de gesprekken met de homoseksuele en lesbische leerlingen zelf komt de diepte van deze problemen pas goed uit de verf. Ook daar blijkt het te gaan om een complex van problemen: het verwerven van een lesbische of homoseksuele identiteit is daarbij één van de belangrijkste problemen. Een wezenlijk onderdeel van een lesbische of homoseksuele ontwikkeling lijkt te zijn dat men buiten de groep komt te staan, soms is er aansluiting met een andere 'outcast'.

Fysiek contact met seksegenoten krijgt een extra lading, contacten met seksegenoten worden ingewikkelder, vooral als anderen 'het' weten. Homoseksuele en lesbische scholieren weten vaak geen weg met gevoelens van aantrekking en verliefdheid. Daarbij vormen onder andere schaamte gevoelens en de veronderstelde negatieve houding van medescholieren barrières om het isolement te doorbreken. Gebrek aan herkenning bij iemand die in een zelfde situatie zit veroorzaakt eenzaamheid.

Uit gevoelens van onzekerheid wordt men soms overmatig bewust van het eigen gedrag: men wil gedurende een bepaalde periode of in een bepaalde omgeving op geen enkele manier iets prijs geven. Voor een deel heeft dat te maken met onzekerheid over wat men nu eigenlijk voelt. Gekoppeld aan die onzekerheid vermijdt men soms sociale situaties.

Piekeren brengt voor sommige scholieren slapeloosheid en andere lichamelijke klachten met zich mee en onder andere in die gevallen is de kans groot dat schoolprestaties negatief worden beïnvloed. Hoewel wij geen vergelijkingen hebben kunnen maken, verwachten we dat zelfdoding een onderwerp is waar homoseksuele en lesbische scholieren veel vaker mee bezig zijn. Duidelijkheid krijgen over de eigen gevoelens en het (terug)vinden van zelfrespect kost extra energie. Het maken van een uiteindelijke keuze geeft opluchting maar brengt nog geen rust. Ook het zoeken naar een manier om aan een lesbische of homoseksuele relatie vorm te geven en onzekerheid over de toekomst kan tot problemen leiden. Uit de gesprekken met de ex-leerlingen blijkt dat ook na de middelbare schooltijd problemen rond homoseksualiteit blijven voortbestaan.

redenen van uitsluiting

Negatieve bejegening ten aanzien van homoseksuele en lesbische scholieren komt om verschillende redenen voor: vanwege de positie die men in de groep inneemt, door afwijkend gedrag onder andere op het gebied van sekse rollen, door het vertellen over de eigen lesbische of homoseksuele gevoelens of - veel minder vaak - door het niet verbergen van lesbische of homoseksuele uitingen tegenover een partner. Deze negatieve bejegening leidt tot een zich bedreigd voelen en depressieve gevoelens. Op negatieve reacties wordt door de scholieren vaak geanticipeerd, maar niet altijd terecht. Reacties vallen achteraf soms mee.

psychosomatische klachten

Wanneer vergelijkenderwijs met een meetschaal naar het voorkomen van problemen wordt gekeken blijkt ook dat homoseksuele en lesbische leerlingen systematisch meer psychosomatische klachten rapporteren. Opvallend is dat dit ook geldt voor de relatief grote groep van de schriftelijk ondervraagde scholieren (40%) die aangeeft op de één of andere manier over de eigen seksuele voorkeur na te denken.

Duidelijk wordt dat knelpunten in de schoolsituatie niet de directe oorzaak zijn van problemen waar homoseksuele en lesbische adolescenten mee geconfronteerd worden. Wel blijkt dat de schoolsituatie interfereert met het proces van verwerving en expressie van de eigen lesbische en homoseksuele gevoelens. Terwijl er mogelijkheden geboden zouden kunnen worden die dit proces kunnen faciliteren, wordt het proces op verschillende manieren vertraagd en bemoeilijkt, onder andere door het ontbreken van de mogelijkheid om in een veilige omgeving over de eigen gevoelens te praten.

oplossing en preventie

Op ruim twee van de drie scholen wordt volgens de leerlingbegeleiders op de een of andere manier enige vorm van aandacht besteed aan homoseksualiteit. In minder dan de helft van deze gevallen is echter ook in het schoolwerkplan vastgelegd dat aan homoseksualiteit aandacht besteed dient te worden.

educatie

Aandacht voor homoseksualiteit is er vooral in de vakken maatschappijleer, biologie en seksuele vorming. In de regel zijn het de docenten zelf die aandacht aan homoseksualiteit besteden. Ook worden soms externe instanties ingeschakeld (13%) of vindt er een toneelvoorstelling of videovertoning plaats (18%).
Screenen van het lesmateriaal op discriminerende uitspraken of mogelijkheden voor herkenning komt voor op één van de tien scholen. Als er op school een schoolbibliotheek is, zijn er in twee van de drie gevallen wel boeken met een homoseksueel thema, opvallend is dat recente titels op het gebied van relaties en seksualiteit en in het bijzonder homoseksualiteit ontbreken. Op geen van de scholen is er een abonnement op tijdschriften op het gebied van homoseksualiteit. Opmerkelijk is dat ook het speciaal op homo- en biseksuele jongeren gerichte blad Expreszo ontbreekt. Als er een schoolkrant is, zijn daarin in de afgelopen jaren in één van de vijf gevallen weleens artikelen geplaatst over homoseksualiteit.

schoolklimaat

Op de meeste scholen zijn er vaak algemene voorzieningen als meldpunten voor discriminatie en vertrouwenspersonen. Ook in stafvergaderingen wordt in de regel wel eens aandacht besteed aan de wijze waarop jongeren op school elkaar bejegenen. Regels ter voorkoming van discriminatie zijn slechts in weinig gevallen in het schoolreglement vastgelegd.
Positieve voorzieningen en regels rond homoseksualiteit staan vaak niet op zich, maar lijken onderdeel uit te maken van een beleid waarin aandacht is voor emancipatie in het algemeen en het voorkomen van discriminatie.

rol van leerlingenbegeleiders

Opvallend is dat er vaak een kleine maar toch ook substantiële groep leerlingbegeleiders is die antwoord op verschillende vragen schuldig blijft, terwijl toch verwacht zou mogen worden dat wanneer het om homoseksualiteit gaat juist zij van de situatie op de hoogte zijn. Wel blijken ze in de regel goed geïnformeerd als het gaat om het vinden van relevante organisaties in het veld voor informatie of doorverwijzing.

Naar leerlingen toe die met persoonlijke vragen zitten op het gebied van homoseksualiteit zijn de geïnterviewde leerlingbegeleiders vaak terughoudend: leerlingen moeten in de regel zelf het initiatief nemen. Hoewel er dan wel een bereidheid is om te praten, wordt het contact niet zonder aarzelingen aangegaan. Die aarzelingen hangen samen met een angst om de jongeren ten onrechte of 'te vroeg' in een homoseksuele richting te stimuleren, angst voor afkeurende reacties van ouders of collega's, en niet goed weten wat te doen of angst voor het geven van verkeerde adviezen. Desondanks worden er door de leerlingbegeleiders wel degelijk persoonlijke gesprekken gevoerd met een homoseksuele of lesbische leerling, met zijn of haar klasgenoten en soms ook met de ouders. Verschillende leerlingbegeleiders uiten de wens naar aanwijzingen voor herkenning van homoseksuele of lesbische problematiek bij leerlingen en suggesties voor een effectieve aanpak. In het algemeen geeft men in klassenverband de voorkeur aan een omzichtige, geïntegreerde aanpak zodat homoseksualiteit niet in een uitzonderingspositie wordt geplaatst. Men is in de regel beducht voor negatieve reacties die aandacht voor homoseksualiteit in de klassensituatie kan oproepen.

passief beleid

In het algemeen zijn de geïnterviewde leerlingbegeleiders van mening dat er op hun scholen een passief beleid wordt gevoerd. Vaak zijn er op school verschillen van mening tussen leraren over de verantwoordelijkheid van de school als het gaat om persoonlijke problemen van leerlingen. In de door de leerlingbegeleiders geobserveerde trend naar verzakelijking op school zijn 'tijdgebrek' of krappe financiële middelen vaak een goede reden om niets te doen. Ook het taboe in de samenleving met betrekking tot homoseksualiteit en de veronderstelde negatieve houding van ouders versterken de kans op het uitblijven van een actief beleid.

relevantie van het onderzoek

Het lijkt erop dat op sommige scholen meer adequaat wordt omgegaan met homoseksualiteit dan op andere en dat op die scholen soms beter wordt ingespeeld op problemen die leerlingen in dit verband bij hun leerlingbegeleider naar voren brengen.

professionalisering leerlingenbegeleiding

Wij verwachten dat een verdere algemene professionalisering van het leerlingbegeleiderschap de zorg voor lesbische en homoseksuele leerlingen ten goede komen. In dit verband is opgemerkt dat onder leerlingbegeleiders vraag is naar meer deskundigheid op het terrein van de signalering van problemen rond seksuele identiteit en de hulpverlening aan leerlingen die op dit punt in de knel komen.

Een meer systematische analyse van interacties tussen leerlingen rond de verwerving van seksuele identiteit en seksueel gedrag alsmede onderzoek naar factoren die mogelijk ten grondslag liggen aan de mate waarin bepaalde leerlingen op dit gebied vaker dan anderen problemen ondervinden, zou kunnen helpen bij een dergelijke signalering en begeleiding. Het verder uitdiepen van het proces van verwerving van lesbische en homoseksuele identiteit in de adolescentie zou kennis kunnen opleveren die leerlingbegeleiders van dienst is bij het signaleren van psychosociale problematiek die is terug te voeren op sekserolgedrag en seksuele voorkeur en die bij de begeleiding van leerlingen aanknopingspunten biedt.

rol homo- en lesbische leerkrachten

Evenals lesbische leerlingen lijken ook lesbische leerkrachten op school meer onzichtbaar dan homoseksuele jongens en homoseksuele leerkrachten. De negatieve situatie van veel lesbische en homoseksuele leerkrachten, die voor scholieren tot uiting komt in hun voorzichtige en gesloten opstelling en de opmerkingen die medescholieren over hen maken, laat lesbische en homoseksuele scholieren iets zien van 'het eigen voorland'.

De gewoonte om op sommige scholen alles wat te maken heeft met homoseksualiteit over te laten aan lesbische en homoseksuele collega's lijkt - mede gezien hetgeen scholieren en ex-scholieren vertelden over de situatie van hun eigen lesbische en homoseksuele leerkrachten - niet zo'n goede strategie.
Dit betekent dat initiatieven ter verbetering van de positie van lesbische en homoseksuele leerlingen op school in brede zin gedragen moeten worden door besturen, schoolleiding en niet-homoseksueel personeel.

onderzoek voor betere educatie

Een meer systematisch onderzoek naar de manier waarop aan homoseksualiteit aandacht wordt besteed en wat daaraan zou kunnen worden verbeterd lijkt nodig, temeer omdat in het onderwijsveld en daarbuiten steeds vaker stemmen opgaan dat er op de middelbare school op dit gebied meer moet gebeuren.

aansluiten bij breder beleid rond het schoolklimaat

Bij het streven iets te doen aan de positie van lesbische en homoseksuele leerlingen en de emancipatie van homoseksualiteit in het onderwijs kan door de school waarschijnlijk het best worden aangesloten bij beleid dat erop gericht is het algemeen sociale klimaat op school, met name het omgangsklimaat, te verbeteren en bij het aandachtsgebied seksuele en relationele vorming. Wel zal altijd bij het vormgeven en uitwerken van zo'n beleid uitdrukkelijk de aandacht voor de positie van lesbische en homoseksuele leerlingen moeten worden gewaarborgd.

begeleiding veranderingsprocessen

Omdat het onderwerp homoseksualiteit in het onderwijs gevoelig ligt, is het tenslotte van belang dat veranderingsprocessen adequaat worden begeleid en geëvalueerd.

Download hier het volledige rapport