onderwijsbeleid

het its homo-indicatoronderzoek: onveiligheid in scholen van 2006 tot 2010

Het ITS heeft in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) onderzocht hoe de ontwikkeling van negatief gedrag naar LHBT in het onderwijs is. Bovendien heeft het ITS een zogenaamde homo-indicator ontwikkeld: een serie vragen waarmee betrouwbaar de homoveiligheid kan worden gemeten. Het ITS is daarvoor het aangewezen onderzoeksinstituut omdat zij al sinds jaren de veiligheidsmonitor uitvoert. Dit is het algemene onderzoek naar veiligheid op Nederlandse scholen. In het nu gepubliceerde rapport worden de cijfers over LHBT uit de metingen van de veiligheidsmonitor over de jaren 2006, 2008 en 2010 vergeleken.
Download hier de ITS brochure over het onderzoek

de homo-indicator

De vragen die het ITS ontwikkelde om de ervaringen van LHB leerlinge en personeel goed te kunnen meten omvat vier aspecten:

  1. mate en ernst van ervaren geweld onder leerlingen
  2. mate en ernst van ervaren geweld onder personeel
  3. mate van zichzelf onveilig voelen onder leerlingen
  4. mate van zichzelf onveilig voelen onder personeel

Bij geweld wordt specifiek gevraagd naar 12 vormen die in ernst oplopen: extra luid zijn, met opzet lawaai maken, expres storen, met opzet stompen, met opzet laten struikelen, slaan, chanteren, betasten, bedreigen met een wapen, aanranding, gebruik van wapen en verkrachting. Er wordt ook gevraagd waar op school het geweld plaatsvindt.

aantallen lhbt deelnemers

Van het personeel geeft 1,5% aan dat ze homo of lesbisch zijn, 0,2% bi, en 10% weigert deze vraag te beantwoorden. Dat wijst er dat er nog een grote aarzeling is in scholen om er zelfs in een anonieme vragenlijst voor uit te komen. In de vragenlijsten is ook indirect gevraagd naar homoseksuele voorkeur, door te vragen of men bepaalde incidenten meemaakt “omdat ik homoseksueel ben”. De antwoorden hierop verschillen echter niet veel van de resultaten op d directe vraag. Bij de leerlingen is alleen indirect gevraagd, omdat de directe vraag n de onderbouw ‘moeilijk te realiseren was’. Het wordt niet duidelijk of de onderzoekers bang waren het te vragen, de scholen hiertegen bezwaar maken, of dat de jongere leerlingen die vragen niet beantwoorden.

meer onveiligheid en een toename van geweld

LHB schoolpersoneel heeft niet meer ervaring met geweld dan niet-LHB schoolpersoneel in 2008 en 2010, maar de LHB personeelsleden voelen zich gemiddeld wel onveiliger dan niet-LHB personeelsleden.
LHB leerlingen ervaren in 2008 en 2010 zeggen LHB leerlingen méér geweld op school dan niet-LHB leerlingen. Bovendien blijkt dit verschil tussen 2008 en 2010 statistisch significant toe te nemen. Ook voelen LHB leerlingen zich in elk jaar significant onveiliger dan niet-LHB leerlingen. Ook het gevoel van onveiligheid neem significant toe. Dit komt overeen met de toename in gerapporteerde geweldervaring tussen 2008 en 2010. Er is echter geen verschil tussen 2010 en 2006.

gevoel van lhb docenten sluit niet aan op dat van leerlingen

Uit de gegevens blijkt dat er onder leerlingen een sterke samenhang tussen gerapporteerde LHB geweldervaring en LHB onveilig voelen bestaat in 2006, 2008 en 2010. Dat houdt in dat, wanneer LHB leerlingen in een school méér geweld zeggen te ervaren dan niet-LHB leerlingen, deze LHB leerlingen zich ook vaker onveilig voelen. Dit is anders dan bij het schoolpersoneel.
Er is geen samenhang tussen LHB schoolindicatoren van het personeel en die van de leerlingen. Dus als LHB leerlingen zich onveiliger voelen, hoeft dat niet zo te zijn voor LHB personeelsleden op dezelfde school. Dit geldt ook voor de ervaring met LHB geweld.

weinig bekend over effectieve maatregelen

Het ITS heeft ook bekeken welke maatregelen in een school bijdragen aan onveiligheid. Daar viel niet veel over te zeggen. Het aanwezig zijn van een Gay-Straight Alliance (GSA) op school in 2010 laat bijvoorbeeld wel een positieve maar een niet-significante relatie zien. Misschien komt dit door het relatief geringe aantal onderzoeksscholen en het feit dat GSA’s nog maar kort functioneren. Uit de literatuur over GSA’s uit Amerika blijkt dat een GSA een duidelijk ingevuld programma nodig heeft om impact te hebben op het schoolbeleid, en dat ze lang genoeg in school moeten functioneren. In Nederland zijn de GSA’s nog maar kort actief en er zin maar zeer weinig GSA’s die een duidelijk en duurzaam programma hebben. Uit de in de literatuur beschikbare – met name Amerikaanse – onderzoeken komt naar voren dat een GSA-aanpak zinvol kan zijn. Dat is vooral zo aandacht voor seksuele diversiteit is geïntegreerd in een bredere strategie van schoolveiligheid en zich richt op het voorkomen van meerdere soorten sociale discriminatie en geweld. Als GSA-leerlingen zich richten op het steunen van andere homoleerlingen in school, en daarbij ook pleiten voor gedragsveranderingen en aanpassing van het leerplan, kan dit impact hebben op het schoolklimaat.

voorlichting door vrijwilligers

Het ITS merkt ook op dat voorlichtingslessen over homoseksualiteit door homo- en lesbische vrijwilligers zinvol kan zijn, omdat persoonlijke coming out verhalen een grote positieve impact kunnen hebben in een klas leerlingen. Maar het ITS merkt ook op dat zulke lessen goed didactisch moeten worden aangepakt en voldoende moeten worden ingebed in het bestaande leerplan. Dit is momenteel in Nederland nog niet het geval.

Download hier de ITS brochure over het onderzoek