nieuws

stevige discussies over lhbt-pesten tijdens eerste wereldconferentie

27 juni 2017 - In mei is er op het World Anti-Bullying Forum in Stockholm tegen de verwachting in stevig aandacht geweest voor lhbt-pesten. De WABF was de eerste wereldconferentie over pesten en EduDivers had daarom niet verwacht. De traditionele definitie van pesten heeft vooral betrekking op de persoonlijke interactie tussen studenten zonder veel aandacht voor achterliggende motieven of voor normatieve contexten. Deze traditionele manier van generaliserend kijken werd in verschillende sessies bekritiseerd. De nu gestarte discussie kan leiden tot een herziening van de definitie van pesten.

aandacht voor lhbt-fobie in de plenaire introducties

De conferentie werd geopend met een videoboodschap van Marta Santos Pais, de speciale vertegenwoordiger voor geweld tegen kinderen van de secretaris-generaal van de VN. Ze benadrukte de rol van pesten op basis van niet-conform seksegedrag; lhbt-foob pesten is dus een onderdeel van gendervraagstukken. Dit is een sterk argument om de gewoonlijk controversiële aandacht toch in de mondiale politieke arena te legitimeren.

De eerste plenaire keynote speech werd gegeven door assistent-professor Jun Song Hong, die bij de Wayne State University in de VS en bij de Sungkyunkwan University in Seoul, Zuid-Korea werkt. Hij gaf een overzicht van onderzoek naar lhbt-pesten met voorbeelden uit verschillende landen. In zijn toespraak werden concrete voorbeelden opgenomen van hoe lhbt-pesten en welke praktische gevolgen dat heeft voor leerlingen. Dat was een sterke introductie voor een wereldconferentie als deze, waar lang niet alle leraren en onderzoekers bekend zijn met lhbt-pesten.
Een van de zorgen van Hong is het gebrek aan implementatie van specifiek anti-lhbt-pestbeleid. In een studie in 2015 in Michigan (USA) stelde slechts 50% van de studenten dat het door de Staat georganiseerde programma feitelijk was uitgevoerd, en vonden ze dat de schoolcultuur niet was veranderd. Dit verschijnsel kennen we in Nederland natuurlijk ook: zowel de Onderwijsinspectie als de leerlingen geven aan dat er van de implementatie van de kerndoelen weinig terecht komt. Van een programma is in Nederland overigens geen sprake.

ambiguïteit in het staatsbeleid en -implementatie

In een van de sessies vertelden John Palladino en Mark Giesler uit Michigan (USA) over hun onderzoek naar hoe mentoren en zorgcoördinatoren omgaan met de verschillende verwachtingen van lhbt-specifiek anti-pestbeleid. Bijvoorbeeld, homoseksuele jongens wilden vooral hulp bij het uitkomen van hun ouders, terwijl biseksuele meiden de voorkeur geven aan cognitieve gedragsinterventies naar andere leerlingen op school. De ouders die hun kinderen steunen in hun seksuele voorkeur willen dat de school de pesters direct straft, terwijl de schoolleiders vooral proberen te voldoen aan de wet van de staat Michigan. Mentoren proberen zich aan te passen aan deze verschillende verwachtingen.

Cyberpesten kwam het meest voor bij 14-15 jarige meiden. Sommigen van hen noemden zich biseksueel of speelden met dat label als ze online waren. Meisjes communiceren veel online met elkaar en die communicatie is onderhevig aan een serie impliciete regels voor hoe "het spel gespeeld moet worden". Als een van de meisjes deze impliciete normatieve regels doorbreekt, bijvoorbeeld door de spelen met het label "biseksueel", resulteert dit in gemene opmerkingen en uitsluiting die je als een verkapte vorm van cyberpesten kunt beschouwen.
Homojongens praten online minder over identiteit minder en geven de voorkeur aan cyber dating. Daarbij blijken jongens die in de kast zitten makkelijker slachtoffer te worden van cyberpesten. Deze verschillende soorten van pesten die biseksuele meisjes- en homojongens meemaken, kunnen niet goed worden aangepakt met het nogal simplistische beleid van Michigan: zero-tolerance en straf. Een rigide intolerantie en straffend beleid werkt niet omdat het homojongens in de kast niet klagen en biseksuele meiden "gemeen"behandeld worden maar niet letterlijk gepest.

Menroten proberen dit dilemma op te lossen via een soort "straataanpassing van de bureaucratische eisen". Ze proberen erachter te komen wat ze moeten doen. Ze zeggen bijvoorbeeld: "Ik stop gewoon met praten over "pesten", want bij "pesten" moet ik van de wet "straffen". In de ogen van de jongeren wordt ik dan een soort politieagent en dan kan ik niks meer begeleiden. Dat werkt niet. In plaats daarvan spreek ik met studenten over "gemeen zijn". Dan kan ik met hen overleggen zonder meteen op de zero-tolerantie toer te gaan en kijken of je iets aan de vaardigheden en sfeer kunt verbeteren. Palladino en Giesler concluderen dat we de rol van mentoren beter moeten begrijpen en hen in hun rol constructief moeten ondersteunen.

niet één beleid voor alle scholen of landen

In een andere sessie bekritiseerde Peter Dankmeijer van GALE de "one fits all" suggesties voor politiek op het niveau van de Staat of op schoolniveau. GALE analyseerde het recht op onderwijs en de implementatie daarvan in de hele wereld en ontdekte dat het implementeren van seksueel diversiteitsbeleid sterk uiteenloopt in "ontkennende", "ambigue" en "ondersteunende" Staten. Ook scholen zitten vaak in verschillende fases van ontwikkeling. Landen en lhbti-bewegingen moeten volgens hem bij het opstellen van richtlijnen en programma's gaan erkennen dat één ideaal typebeleid niet in al deze situaties past. In elke situatie zijn verschillende doelen en strategieën nodig om stappen vooruit te kunnen maken. GALE beveelt aan dat de beweging om lhbti-pesten te bestrijden meer rekening gaat houden met het strategische proces in landen en op scholen. GALE kondigde de publicatie van de strategische gids met suggesties daarvoor in landen. De gids werd enkele weken later gepubliceerd.

noodzaak om definitie van pesten te wijzigen

In een plenaire paneldiscussie tussen enkele beroemdheden uit het anti-pestonderzoek werden de huidige definitie van pesten en de evetuele noodzaak om die bij te stellen besproken. Elizabeth Pen ontwikkelde een programma tegen lhbt-pesten in New York en onderzocht het op effect. Zij bekritiseerde de huidige definitie van pesten.

De huidige definitie richt zich op het microproces tussen de dader (pestkop), het slachtoffer (gepeste) en verschillende soorten omstanders. Onderzoek heeft aangetoond dat het weerbaarder maken van slachtoffers of het straffen van pestkoppen geen significante resultaten oplevert in groepsprocessen. In de anti-peststrategieën van de afgelopen tien jaar ligt de nadruk daarom nu op het veranderen van het gedrag van de omstanders. Het gedrag van bijstanders veranderen, met een focus op gedragsregels in de groep, blijkt veel effectiever te zijn.

Elizabeth Pen zei dat structurele processen van sociale uitsluiting, zoals homofobie, niet echt in dit perspectief worden meegenomen. Ten eerste veronderstellen de huidige anti-peststrategieën dat pesten een soort neutraal mechanisme is, onafhankelijk van wie er in de groepen zit. Hoewel anti-pestonderzoekers wel verschillen in pesten tussen meisjes en jongens opmerken, realiseren ze niet echt dat die genderverschillen zo fundamenteel zijn, dat je eigenlijk niet kunt spreken van een 'neutraal' groepsproces. Maatschappelijke gendernormen spelen zo'n belangrijke rol dat dit zichtbaar zou moeten zijn in effectieve anti-peststrategieën. Op dit moment worden lhbti-jongeren niet eens als relevante groep erkend; zo wordt zelden of nooit gemeten of een anti-pestprogramma ook effectief is voor lhbti-jongeren.
Pen noemde homoschelden als voorbeeld van hoe de huidige anti-pestaanpakken falen voor lhbti jongeren. In de huidige visie is "pesten" gericht op een specifiek slachtoffer. Maar als een meerderheid van de jongens continue Jan en Alleman "homo" noemt, is er geen sprake meer van een "dader" en een "slachtoffer". Weliswaar is homoschelden een vorm, van "gender politie" (door elkaar uit te dagen en homo te noemen, zorgen jongens dat alle jongens wel oppassen om zich zacht, zorgzaam of als watje op te stellen), maar kan je dat nog wel "pesten" noemen? Dat wordt dan ook keihard ontkend door de jongens zelf en vaak ook door hun leraren. Kortom, dit soort heterodwingende gedrag past niet in de huidige definitie van pesten. Pen stelde voor dat pesten niet alleen een neutraal micro-sociaal proces is, maar ook altijd een uiting is van strijd om macht en sociale status. In deze strijd speelt de superieure mannelijkheid en het denigreren van vrouwelijkheid als 'zwak' een centrale rol. Verder denkend in deze lijn meent Pen bijvoorbeeld ook dat pesten van kinderen met overgewicht in laatste instantie is gebaseerd op heteronormativiteit. Dikke kinderen voldoen niet aan heteronormatieve ideaalbeelden van mannen of vrouwen en worden daarom afgewezen.
Pen stelde voor dat een herziene definitie van pesten zou moeten erkennen dat de norm van heteroseksualiteit alle vormen van pesten veroorzaakt.

Dan Olweus, de Zweedse "vader" van de anti-pestbeweging en de opsteller van de huidige definitie van pesten wilde hier niets van weten. Hij stelde dat homopesten simpelweg slechts één van de vele gedragsuitingen van pesten in het algemeen is. Hij ging echter niet in de voorbeelden van discriminerend pesten van Elizabeth Pen die nu niet passen in de huidige definitie.
Een andere beroemde Amerikaanse onderzoeker, Dorothy Espalage, bekritiseerde niet de noodzaak van een herziene definitie, maar de nadelige gevolgen ervan. Op dit moment wordt het meeste onderzoek naar pesten gebaseerd op de Olweus-definitie. Het voorstel van Pen zou een hele nieuwe reeks gevalideerde vragenbatterijen voor onderzoek vereisen. Maar hoe kan de norm van heteroseksualiteit op betrouwbare wijze worden gemeten? Espalage is bang dat een bredere definitie zal leiden tot een hellend vlak. Als we alle vormen van negatief gedrag en schendingen van rechten nu "pesten"gaan noemen, zal het moeilijker zijn om dat alles te meten en om aan te tonen of anti-pestprogramma's effectief zijn.
Elizabeth Pen antwoordde dat haar programmagroep interventies wil maken die niet alleen oppervlakkige sociale mechanismes, maar juist ook de onderliggende structurele en normatieve processen wil aanpakken. Ze is ervan overtuigd dat als je dat niet doet, je niet in de diepte effectief bent. In de huidige programma's worden normatieve uitsluitingprocessen genegeerd en dat moet veranderen.
Als uitsmijter verklaarde Olweus dat anti-pestonderzoekers de huidige definitie moeten houden, omdat "we een kader nodig hebben waar ook beleidsmakers breed mee kunnen stemmen". Hij zei er niet bij dat het thema homofobie in veel landen politiek zo controversieel is, dat dit argument het wel erg makkelijk maakt om homopesten op grond van politieke en subsidietechnische argumenten te negeren.

Peter Dankmeijer, de directeur van GALE, keek later terug op de discussie. Hij zei dat de voorstellen van Elizabeth Pen baanbrekend waren en een belangrijk argument voor de herziening van de huidige definitie van pesten. Hij denkt dat de tegenargumenten van Olweus en Espalage geen inhoudelijke reacties waren op de bezwaren die Pen opperde. Hun argumenten kwamen meer over als zorgen om de huidige status quo te beschermen. Hij vond Pen's suggestie om heteronormativiteit tot de basis van alle vormen van pesten te verklaren wel erg ver gaan. Hoewel heteronormativiteit ongetwijfeld op de achtergrond in een groot deel van het pesten een belangrijke rol speelt, is het bijvoorbeeld twijfelachtig of pesten van dikke kinderen altijd als heteronormatief kan worden gezien. Hij gelooft dat we waarschijnlijk moeten zoeken naar een dieper onderliggend niveau van emotionele processen van afwijzing die zowel aan heteronormatieve als aan andere vormen van uitsluiting ten grondslag liggen.

Peter Dankmeijer