nieuws

effectieve leerlingenzorg en -participatie

21 mei 2017 - Dit is het 4e deel in de serie artikelen door EduDivers over wat werkt en wat niet werkt als effectieve maatregelen en in lessen die LHBTI emancipatie bevorderen. In dit artikel gaan we in op de leerlingenzorg en de leerlingenparticipatie. Hoewel we inschatten dat het effect van leerlingenzorg op de totale LHBTI-vriendelijkheid beperkt is tot circa 5%, is het wel belangrijk om extreem slachtofferschap te voorkomen, extreme homofobie de kop in te drukken en om de LHBTI leerlingen het gevoel te geven dat hun school er ook voor hen is.

wat er speelt

Als er op school een LHBTI-negatieve en heteronormatieve sfeer is, dan heeft dit negatieve gevolgen voor LHBTI leerlingen en voor heteroseksuele leerlingen die niet typisch mannelijk of vrouwelijk overkomen. Wereldwijd en ook in Nederland is herhaaldelijk aangetoond dat dit negatieve gevolgen heeft voor het welzijn en de gezondheid van jongeren. Ze gaan zich onzeker en gestrest voelen, ze gaan ongezonder leven, ze worden meer gepest en ze plegen tot vijf maal zoveel zelfmoord.
Het grootste deel van deze negatieve gevolgen spelen zich in stilte af. De schaamte om LHBTI te zijn of af te wijken van de heteronorm is zo groot dat de meeste jongeren er niet over praten. Hoewel homoschelden op bijna alle scholen vaak en openlijk voorkomt, vindt het meer harde gepest veelal plaats op plekken waar de leraren het niet zien of online.

In het merendeel van de gevallen proberen LHBTI leerlingen te voorkomen dat ze gepest of gemarginaliseerd worden door er niet voor uit te komen. ook dat heeft negatieve gevolgen, want dan moeten ze voortdurend op hun hoede zijn voor ontdekking. Deze voortdurende staat van alertheid (met de bijkomende productie van stresshormonen en verstrakking van lichaamsfuncties en emoties) wordt wel "minderheidsstress" genoemd. Het langdurige last hebben van deze "lage" vorm van stress kan op den duur leiden tot een plotselinge burn-out of uitbarsting van opgekropte emoties. Omdat de oorzaak hiervan zelfs voor het slachtoffer zelf vaak niet duidelijk is, komt dat vaak als een verassing.
Sommige leraren vragen zich af waarom LHBTI leerlingen zelfmoord plegen. Zeker als ze er niet zo openlijk voor uitkomen, dan hebben ze toch geen last van discriminatie? Soms worden leerlingen ook aangeraden om er niet voor uit te komen om problemen te voorkomen. "Laat het maar langs je heen glijden". Vooral jongeren in de adolescentie hebben een grote behoefte aan sociaal contact. Ze leren "te leven" door om te gaan en zich te spiegelen aan andere jongeren. Dit proces heeft Sanders (1977) wel het "samen jong zijn" genoemd. Jongeren die worden uitgesloten - of die door er uit angst voor repercussies niet voor uit te komen zichzelf uitsluiten - bouwen langzamerhand een gevoel van eenzaamheid op. Dat gevoel van eenzaamheid kan in de puberteit oplopen tot een enorm gevoel van wanhoop dat het nooit meer goed zal komen. In zo'n situatie kan zelfmoord gezien worden als een realistische optie om te ontsnappen. Scholen moeten leren begrijpen dat de sfeer op school een belangrijke factor is hoe jongeren hiermee omgaan. Uit onderzoek blijkt dat in Nederland de negatieve sfeer op school de tweede factor voor LHBTI zelfmoord is, meteen na een negatieve sfeer en (dreigende) uitstoting uit het gezin.

Gelukkig is seksuele diversiteit in de maatschappij als geheel steeds meer geaccepteerd en zichtbaar. Er zijn de laatste tien jaar ook meer ontmoetingsmogelijkheden voor minderjarige LHBTI jongeren. Daardoor voelen steeds meer LHBTI jongeren zich veiliger en wat zekerder. Het is dus zaak om seksuele diversiteit niet per definitie meteen te problematiseren.
Zeker jongeren die meedoen aan Gay/Straight Alliances zullen een hekel hebben aan problematisering. Als je er eenmaal voor uit bent gekomen, wil je immers niet als slachtoffer gezien worden - zelfs al heb je misschien nog wel problemen. Uit een klein onderzoek naar lesbische meiden in Amsterdam bleek bijvoorbeeld dat een van de geïnterviewde meisjes het huis uit was gezet en afwisselend sliep bij haar vriendinnen, dat ze geen geld had, dat ze problemen met drugs had, maar dat ze van zichzelf vond dat alles prima ging, want "ik ben een sterke lesbische vrouw die van zich afbijt". Dit was wel een extreem geval. Maar het onderzoekje concludeerde dat lesbische meiden net als lesbische vrouwen in het algemeen graag gezien willen worden als sterk en zelfstandig en een hekel hebben aan afhankelijkheid of slachtofferschap. Bij LHBTI leerlingenzorg is het belangrijk sensitief te zijn voor dit soort mechanismen.

leerlingenzorg voor lhbti leerlingen

Het belangrijkste van effectieve leerlingenzorg voor LHBTI leerlingen is dat de mentoren er open voor staan. Dat ziet een leerling niet zomaar, dus u moet enige moeite doen om dat zichtbaar te maken. Dat kan een leraar doen door af en toe terloops positieve opmerkingen te maken, wat de LHBTI zullen opvatten als een vorm van sensitiviteit en openheid. Dat soort opmerkingen draagt ook bij aan een algemene ondersteunende sfeer. De school kan de steun ook zichtbaar maken door er expliciet naar te verwijzen in de school- of leerlingenbrochure, door een poster op te hangen of door LHBTI acties mee te doen.

Bij leerlingenzorg voor LHBTI leerlingen wordt wel onderscheid gemaakt tussen "ongecompliceerde" en "gecompliceerde"problematiek. Ongecompliceerde problematiek draait om zelfontdekking, coming-in en coming-out. LHBTI leerlingen wijken af van hetero- en cisgender* leerlingen doordat ze op een gegeven moment het gevoel hebben "anders" te zijn (dan heteronormatieve verwachtingen). Dit anders zijn benoemen, op zoek gaan naar gevoelsgenoten en hen ontmoeten ("coming-in") en ervoor uitkomen naar de omgeving ("coming-out") zijn weliswaar ongewone, maar in een heteronormatieve omgeving niet zwaar problematische processen. Van mentoren en leerlingenbegeleiders zou professioneel gezien mogen worden verwacht dat ze deze ongecompliceerde problematiek kunnen herkennen en begeleiden. Uit onderzoek blijkt echter dat dit vaak nog niet zo is. De bereidheid om er iets mee te doen is wel toegenomen in het afgelopen decennium, maar de deskundigheid veelal niet. De begeleiding van LHBTI leerlingen wordt nog steeds vaak afgeschoven naar LHBTI leraren of verwezen naar een Gay/Straight Alliance.

*cisgender: leerlingen die zich identificeren met hun biologische gender, het tegenovergestelde van transgender.

Voor sommige leerlingen verloopt hun zelfontdekking, coming-in en coming-out erg moeizaam. Dat kan liggen aan een streng religieuze of culturele achtergrond, aan structureel pesten of uitsluiting of aan andere achtergrondproblemen zoals handicap, armoede of immigratiestatus. Voor zulke leerlingen kan zelferkenning, coming-in en coming-out ervaren worden als een onmogelijk dilemma en de stress kan zo hoog oplopen dat er een reeks van bijkomende problemen ontstaan zoals verslaving, op straat leven, prostitutie, soa en aidsproblemen en eerwraak. Zulke gecompliceerde problematiek ligt buiten de professionaliteit van leraren. De school heeft voor het omgaan met gecompliceerde problematiek een verwijssysteem nodig naar relevante psychosociale begeleiding. Maar tegelijkertijd is er binnen de school specifieke aandacht nodig om zulke leerlingen binnenboord te houden. Het beleid en de middelen voor Passend Onderwijs zijn hier in principe voor beschikbaar, maar in de praktijk vaak niet. In 2016 publiceerden EduDivers en GALE een discussiebrochure over Passend Onderwijs en Seksuele Diversiteit, maar publicatie daarvan op de landelijke website voor Passend Onderwijs werd geweigerd omdat het thema niet relevant zou zijn.

In principe kunnen leerlingen met klachten terecht bij de schoolleiding en de vertrouwenspersoon. In de meeste scholen weten de leerlingen niet of er een vertrouwenspersoon is en wie dat is, en voor wat soort klachten ze daar terecht kunnen. Sommige scholen zien het klachtenprotocol meer als een wettelijk vereiste en iets voor in de la voor de inspectie, dan als een middel om continue welkome feedback te krijgen, te leren en de school te verbeteren. Als dit het geval is, kan het goed zijn om toe te werken naar een "levend" meld- en verbetersysteem, te beginnen bij het goed bekend maken onder leerlingen.

leerlingenzorg voor lhbti-fobe leerlingen

Het is een misverstand om te denken dat LHBTI leerlingenzorg alleen voor LHBTI leerlingen is. Ook homofobe en transfobe leerlingen hebben begeleiding nodig. Uit onderzoek blijkt dat jongeren met zeer sterke homofobe gevoelens last kunnen hebben van "onvolwassen defensiemechanismen". Volwassen defensiemechanismes worden geacht vooral zelfvertrouwen te ondersteunen (bijvoorbeeld heteronormatieve mensen die homoseksualiteit, biseksualiteit of transseksualiteit afwijzen vanuit het gevoel dat dit hun heteroseksualiteit zou beschermen), terwijl onvolwassen defensiemechanismen gekenmerkt worden door rigide en extreme verdraaiing van feiten om een gevoel van eigen integriteit te kunnen behouden. Onvolwassen defensiemechanismen leiden vaak tot persoonlijk disfunctioneren. Naast onvolwassen defensiemechanismen hebben sterk homofobe leerlingen ook last van idealisatie, een neurotisch defensiemechanisme. Idealisatie komt in dit kader tot uiting door het hoog waarderen van extreme masculiniteit en het minachten van vrouwelijkheid, vooral in mannen. Zulke extreem fobische leerlingen zijn niet alleen homo- of transfoob maar hebben vaak ook andere problemen vanwege hun rigide houding waarmee zij zich moeilijk aanpassen aan nieuwe situaties of aan diversiteit. Daarom kan het nodig zijn om zulke leerlingen niet zozeer te straffen, maar om hen persoonlijk te begeleiden om op een meer volwassen manier om te gaan met diversiteit en specifiek met seksuele diversiteit. het kan genoeg zijn om hen daarop aan te spreken of een beroep te doen op hun eer ten opzichte van hun peergroup en hun familie. Maar mogelijk is het nodig om een beroep te doen op een psycholoog, een goede veldwerker of een goede imam of predikant om zulke jongeren met meer impact te kunnen aanspreken of te begeleiden.

gay/straight alliances

In de VS zijn op scholen Gay/Straight Alliances (GSA's) ontstaan, clubs van LHBTI en heteroseksuele leerlingen. Volgens Amerikaans onderzoek hebben GSA's potentieel 3 functies: een veilige haven bieden voor kwetsbare leerlingen, zichtbaarheid creëren rond seksuele diversiteit en acties (lobby naar de schoolleiding) voor een beter schoolbeleid. Onderzoek naar het effect van GSA's in de VS laten ambigue resultaten zien. Er is wel een correlatie tussen de veiligheid van scholen en het aanwezig zijn van een GSA, maar het is niet duidelijk of de veiligheid toe te schrijven is aan de GSA, of dat de GSA's een gevolg zijn van de al veiliger sfeer. Een ander punt waarom de resultaten nogal ambigue zijn, is dat GSA's soms maar een van de drie functies hebben, soms meerdere en vaak ook daarin fluctueren. Consistent blijkt dat deelname aan een GSA voor LHBTI leerlingen bijdraagt aan hun zelfvertrouwen, coming-in en coming-out. Het is minder duidelijk in hoeverre GSA's een structurele bijdrage leveren aan de veiligheid van de school. GSA-leerlingen doen geregeld aan zichtbaarheidacties die kunnen leiden tot meer bewustzijn van de aanwezigheid van LHBTI op school. Maar er zijn nog weinig voorbeelden bekend van GSA's die structureel invloed hebben op het schoolbeleid.

In Nederland stimuleert COC Nederland sinds 2008 het ontstaan van GSA's. In de loop der jaren is er een sterke nadruk ontstaan op het vieren van Paarse Vrijdag. Paarse Vrijdag draait om het zichtbaar maken van solidariteit tegen homofobie door een paars shirt of paarse polsbandjes te dragen. Er worden ook andere lokale en landelijke acties geïnitieerd, maar die slaan tot nu toe minder aan.
De indruk bestaat dat de GSA's in Nederland meer voorkomen op het HAVO en VWO dan op VMBO's. Dat sluit aan op de Amerikaanse bevinding dat er een correlaties is tussen veiligheid en GSA's. In Nederland is door de Nationale Jeugdraad (NJR) een onderzoek gedaan naar GSA's. Dit was een beperkt onderzoek door middel van interviews met de meest actieve GSA-leden. De indruk was dat de GSA's net als in de VS bijdragen aan hun zelfvertrouwen, coming-in en coming-out. De vrijheid om te zijn wie je bent wordt echter beperkt door de heteronormatieve sfeer onder jongeren op school. Veel GSA's bleken in de opstartfase. Veel GSA's dreigen na verloop van tijd in te storten omdat het aantal en de diversiteit van leerlingen in leeftijd en achtergrond beperkt is. Naast gezelligheid richten veel GSA's zich op zichtbaarheidacties, die hand in hand gaan met promotie van de GSA. De actiegerichtheid uit zich vaak door zelf er in de klas ervoor uit te komen of voorlichting te geven. Daarvoor hebben de GSA-leden nog wel extra steun nodig. Het NJR rapport komt daarnaast nog met 12 andere aanbevelingen voor verbetering van GSA's.

het betrekken van leerlingen bij het schoolbeleid

EduDivers ziet de worsteling van GSA's met de stap richting activisme. Net als veel andere activisten kiezen zij als snel voor het middel "voorlichting" als ideale oplossing om homofobie en heteronormativiteit aan te pakken, ondanks dat andere methoden meer impact hebben. De GSA-leden leiden net als anderen dus onder een gebrek aan kennis over wat werkt. Om dit te verhelpen, begon EduDivers in 2016 een project "Gay OK teams" dat gefinancierd werd door het Schorer Fonds. In de gebruikte methodiek doen leerlingen eerst een informatieve workshop in de vorm van een quiz, waarbij de vragen zowel gaan over seksuele diversiteit als over hoe je een school kunt veranderen. Daarna worden de leerlingen begeleid bij het doen van een "schoolvisitatie". In de schoolvisitatie doen ze onder meer een enquête, interviews met leerlingen, ze observeren een les met een groepsdiscussie over seksuele diversiteit , ze maken aanbevelingen en bespreken die met de schoolleiding. Daarna worden de leerlingen geassisteerd bij het zelf uitvoeren of bewaken dat de schoolleiding of leraren de overeengekomen aanbevelingen ook echt uitvoeren. De methodiek sluit perfect aan op de begin 2017 opgenomen eis in de Wet op het Voortgezet Onderwijs dat scholen verplicht zijn om leerlingenparticipatie te regelen. In het project wordt vergeleken hoe dit initiatief uitwerkt als het geïnitieerd wordt door een leerlingenraad, een GSA of door docenten op een school zonder leerlingenparticipatie. Het project wordt eind 2017 afgerond, een voorlopige handreiking komt in juni 2017 uit.