nieuws

effectieve voorlichting

2 mei 2017 - In het kader van de zoektocht van de Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit naar werkzame elementen voor effectief schoolbeleid publiceert EduDivers een serie artikelen over wat werkt en wat niet werkt. Dit is de derde aflevering, die gaat over voorlichting. In het begin van de serie is al opgemerkt dat "voorlichting" op zich niet de meest effectieve interventie is; van zeer effectieve voorlichting mag maximaal ongeveer 15% effect op gedrag worden verwacht. We gaan eerst in op wat we weten uit de wetenschap over wat werkt, dan op wat er nu in schoolboeken staat en ten slotte wat we weten over voorlichting door vrijwilligers.

effectieve elementen

Het percentage van circa 15% is een gemiddelde van het effect dat onderzoekers zien na zeer goed onderbouwde en geteste voorlichtingsprogramma's. Dan gaat het bijvoorbeeld over programma's tegen roken, seksuele vorming (condoomgebruik) en programma's ter voorkoming van stress. Er bestaan nog nauwelijks programma's over seksuele diversiteit die op effect zijn getest. In Nederland is er maar een programma dat op effect is onderzocht (op één gereformeerde school): "Homo in de klas" van het Christelijke LCC project. Die methode bleek wel enige relatief kleine effecten te hebben, maar vooral op houding en niet op gedrag en niet in alle klassen (in dit geval HAVO en VWO).

MOVISIE heeft een literatuuronderzoek gedaan van effectieve interventies op het terrein van LHBT-emancipatie. Dit richt zich vooral op effectieve elementen van voorlichting. De belangrijkste conclusie is dat het opwekken van "empathie" een van de weinige elementen is waarvan we onderzoeksmatig kunnen zeggen dat het werkt. Het gaat dus niet zozeer over het bieden van kennis of het corrigeren van vooroordelen, maar om een pedagogische benadering op een wat dieper niveau: medeleven. Het idee is dat als jongeren zich kunnen verplaatsen in de positie van een gemarginaliseerde minderheid, ze beseffen dat negatief gedrag gemeen en onterecht is. "Empathie" kan je opwekken door het vertellen van een eigen verhaal, maar het laten zien van een (goede) video blijkt vrijwel even effectief te zijn. Het verwekken van empathie hangt nauw samen met role modelling. Uit allerlei onderzoek blijkt dat het leren kennen van mensen die je tot dan toe niet kende of misschien zelfs verafschuwde, kan leiden tot meer begrip en empathie. Dit is wel aan voorwaarden verbonden. Het rolmodel ( life of in de film) moet je aanspreken. Rolmodellen die iets ouder zijn en een iets hogere status hebben dan de voorgelichte groep - terwijl ze toch qua achtergrond en karakter aansluiten bij de groep, werken het best. Verhalen met alleen maar ellende of alleen maar successen werken niet zo goed. Het best werken verhalen waarin het rolmodel in een slechte situatie zat, zich met enige moeite daardoorheen heeft gewerkt en nu met meer zelfbewustzijn en succes terugkijkt.

EduDivers maakt daarnaast nog enkele kanttekeningen bij deze op onderzoek gebaseerde conclusies. In de praktijk blijkt - maar dit is nog niet goed onderzocht - dat empathie niet altijd goed werkt. Zo reageren jongens in het VMBO bijvoorbeeld niet zo goed op de film Ruben waarin een enigszins feminiene jongens gepest wordt en bijna zelfmoord pleegt. Jongens vinden dat deels zijn eigen schuld, terwijl de meisjes soms bij dezelfde film in tranen uitbarsten. Diverse onderzoekers hebben dit soort effecten ook opgemerkt bij andere typen lessen. Er wordt gesuggereerd dat jongens en vooral jongens uit een straatcultuur "empathie" beschouwen als iets vrouwelijks en zwaks, en het is in macho- of straatculturen onvergefelijk om je emoties op die manier te laten zien. Dus reageren ze afwijzend en verwijten het slachtoffer dat hij niet van zich afbijt. Voor zulke groepen zullen andere werkzame elementen moeten worden aangesproken die meer aansluiten bij masculiniteit en niet direct appelleren aan emoties. In een andere voorlichtingsvideo, Uitgesproken, gebeurt dit op een slimme manier. Een macho jongen ontdekt dat zijn beste vriend homo is en moet kiezen tussen zijn straatcultuur vrienden of zijn vriendschap. Natuurlijk spelen in deze film emoties een rol, maar ze worden niet uitgedrukt op een "vrouwelijke" manier. We maken de stille interne strijd van de heterohoofdpersoon mee. In dit geval is de heterojongen het rolmodel dat voor een probleem wordt geplaatst en dat uiteindelijk oplost. In deze film zijn de homo's eigenlijk bijfiguren, maar ze zijn zelfbewust en trots, ondanks de bedreigingen.

tekort aan tijd: doorlopende leerlijn en ontschotting

Een ander punt dat we moeten aanstippen is de tijd die besteed wordt aan voorlichting. Doorgaans is dit maar een uurtje, soms twee. Uit onderzoek blijkt dat van zulke kortdurende voorlichting geen duurzaam effect mag worden verwacht. Voor zover we uit onderzoek kunnen beoordelen, begint een houdingseffect van voorlichting pas naar minimaal 10 uur voorlichting en kunnen gedragseffecten alleen verwacht worden als er parallel aan het voorlichtingsprogramma maatregelen worden getroffen om het gedrag in de dagelijkse praktijk af te spreken en te coachen. Dit is bijvoorbeeld de reden waarom eemn anti-poest programma als KiVa (voor basisonderwijs althans) structurele gedragseffecten heeft. Overigens is er in het KiVa programma tot nu toe nog geen aandacht voor pesten in de vorm van discriminatie of voor homo-pesten. Daar wordt in samenwerking met EduDivers aan gewerkt.
Een andere conclusie die we hieruit kunnen trekken is dat een diepgaander effectieve voorlichting alleen mogelijk is als seksuele diversiteit en vooral de vaardigheden om respectvol gedrag te vertonen (zoals niet schelden en samenwerken met LHBTI) worden geïntegreerd in een doorlopende leerlijn, die in totaal meer uren over meerdere leerjaren kan bevatten. Omdat het niet mogelijk en misschien ook wel onwenselijk is om een "aparte" leerlijn over seksuele diversiteit te ontwikkelen, is het nodig dit zichtbaar en effectief te integreren in een bredere leerlijn. Dat zou - op grond van onderzoek - bij voorkeur een leerlijn over sociaal-emotionele vorming, prosociaal gedrag/anti-pesten, omgaan met diversiteit, seksuele vorming en burgerschap moeten zijn. De schotten tussen de huidige aparte programma's over deze topics zouden moeten worden doorbroken door te kijken naar welke steun jongeren nodig hebben.

voorlichting via schoolboeken

In 2014 deden EduDivers en het Instituut voor Leerplanontwikkeling SLO een onderzoek naar hoe seksuele diversiteit voorkomt in reguliere schoolboeken en een leermiddelenanalyse van enkele representatieve schoolboeken. Naar aanleiding van het onderzoek kwam er een handreiking uit voor educatieve uitgevers en voor docenten. In de handreiking wordt geconstateerd dat er in schoolboeken eigenlijk maar weinig aandacht is voor seksuele diversiteit. Als het er al is, dan ligt de nadruk op relatief oppervlakkige kennis (wat is homo, lesbisch, maar nauwelijks aandacht voor biseksualiteit, transgender en helemaal niet voor intersekse). Er wordt vaak vermeld dat LHBT niet gediscrimineerd mogen worden en dat het huwelijk open is voor paren van gelijk geslacht, maar andere vragen die leerlingen doorgaans hebben blijven onbeantwoord. Dit ontbreken van aandacht voor seksuele diversiteit werd in 2016 onderschreven door LHBT leerlingen in hun meldingen aan het COC Meldpunt Slechte Voorlichting.

Het grootste knelpunt is wel dat de schoolboeken vaak wel vragen dat leerlingen "reflecteren op hun mening", maar dat er noch richting leerlingen, noch richting leraren een zinvolle aanpak is om de houding positief bij te stellen. EduDivers beveelt aan (en die aanbeveling werd door de sectorraden onderschreven) dat scholen een duidelijk besluit nemen over wenselijk gedrag en doelen om dat gedrag te bevorderen. Zulke gedrag kan je alleen maar aanleren als je daar open voor staat, dus hieruit volgt dat een school ook heldere houdingsdoelen stelt. Dat durven scholen nu vaak niet omdat ze bang zijn dat het eisen van een respectvolle houding naar LHBT te controversieel is en ze niemand voor het hoofd willen stoten. Het Instituut voor Leerplanontwikkeling SLO geeft in de leermiddelenanalyse een lijstje van uitgewerkte wenselijke doelen voor lessen over seksuele diversiteit. Ook daarin zijn de houdingsdoelen nog beperkt geformuleerd, gezien wat we nu weten over "werkzame elementen".

voorlichting door vrijwilligers

Over het effect van peer-voorlichting is in Nederland weinig bekend. In 2010 weigerden de voorlichtingsgroepen een aanbod van EduDivers en COC Nederland om onafhankelijk effectonderzoek te laten doen. Als alternatief werd er toen gekozen voor het extern laten observeren van voorlichtingslessen en op basis daarvan te komen tot aanbevelingen voor verbetering. In het rapport van het ITS/Radboud universiteit over die observaties (2012) werd geconstateerd dat de manier van voorlichten ster afhankelijk is van de individuele voorlichters en er wordt in zachte bewoordingen geconcludeerd dat sommige voorlichters sterk normatief (en daardoor minder effectief kunnen) zijn. De onderzoekers bevelen in bedekte termen aan om meer inhoudelijke lijn aan te brengen in de voorlichtingsmethode. Daarnaast constateren de onderzoekers dat peer-voorlichters het vaak ontbreekt aan pedagogische (opvoedings-) vaardigheden en didactische vaardigheden (organiseren van werkvormen en discussies in klassen) ontbreekt. Het is onduidelijk of en hoe er sinds die tijd aan deze valkuilen gewerkt is.

Uit de al eerder genoemde evaluatie van de "Homo in de klas" methode, waarin een voorlichting door Christelijke homo/bi/lesbische voorlichters centraal staat, blijkt dat circa 10% van de leerlingen direct na de lessen hun mening verandert, maar dat de lessen geen effect hebben op gedrag (schelden) en dat veel leerlingen na enige tijd de lessen geheel vergeten zijn. In 2014 werd een groot onderzoek gepubliceerd naar pilots rond effectief schoolbeleid rond LHBT. Hoewel de pilots bedoeld waren als experimenten met integraal schoolbeleid, beperkten de meeste scholen zich tot het inhuren van externe voorlichters. Dit had in het basisonderwijs wel enig effect op kennis en houding , maar in het voortgezet onderwijs waren er geen significante effecten. Daartegen nam de feitelijke onveiligheid toe (20% meer schelden).

In de VS wordt niet op dezelfde manier als in Nederland voorgelicht; volgens GALE is voorlichting door vrijwilligers een vrij typische Europese methode. In de VS doen ze we af en toe een paneldiscussie voor een zaal van eerstejaars universitaire studenten; en zulke voorlichtingen worden dan soms meteen ook op effect onderzocht. Daaruit blijkt dat studenten vaak wel van mening (houding) veranderen. Het is alleen niet duidelijk waarom, omdat net als in Nederland de panellisten hun eigen coming-out verhaal vertellen en vragen op een eigen manier beantwoorden. Dan kan je eigenlijk niet spreken van een specifieke interventie, maar van een grabbelton van persoonlijke interventies. Dit sluit overigens aan op onderzoeken naar het effect van docenten. Daaruit komt vaak dat de persoonlijkheid van de docent een belangrijke rol speelt bij diens impact.

Daarom lijkt het er toe nu toe op dat het - met de huidige werkwijze en niveau van peer-voorlichting - niet zoveel uitmaakt wat je precies zegt, als je het maar op een persoonlijk geloofwaardige manier doet.
Uit een al ouder onderzoek naar de organisatie van voorlichtingsgroepen (1994) bleek dat de beste van zulke groepen wel een aantal richtlijnen hanteren voor de selectie van voorlichters. Zulke richtlijnen zin bijvoorbeeld dat je je eigen coming-out achter de rug moet hebben, je zeker voelt en tegen negatieve opmerkingen kunt, en dat je een positief zelfbeeld hebt dat je over kunt brengen. Ook dat sluit aan op de indruk dat het effect van peer-voorlichting vooral rust op authentieke voorlichters die rustig en zelfbewust met leerlingengroepen kunnen omgaan.

Desondanks wordt er in de internationale trainingen van GALE voor vrijwilligers en docenten ook aandacht besteed aan meer inhoudelijke criteria voor een beter effect. Zo bekritiseert GALE dat veel voorlichters maar weinig kennis hebben over seksuele diversiteit en dat ze soms op eigen indrukken gebaseerde antwoorden verzinnen als ze vragen krijgen die ze niet kunnen beantwoorden. GALE meent ook dat vrijwilligers, net als docenten, meer aandacht moeten besteden aan het nuanceren van hun eigen normativiteit en dat het doel van voorlichting niet moet zijn dat leerlingen "LHBT meer accepteren" maar dat "leerlingen leren beter met verschillen om te gaan". Als rolmodel moet je dan daarin natuurlijk dan ook keigoed zijn.

Peter Dankmeijer