nieuws

huidige voorlichting werkt nauwelijks, hoe kan het beter?

20 maart 2016 - In de serie artikelen over gouden tips voor effectieve LHBT emancipatie beschrijven we vandaag de rol van voorlichting. Daarover bestaan veel mythen. De belangrijkste is dat men LHBTI-emancipatie het best kan bereiken door voorlichting. Veel landelijk en lokaal beleid is dan ook gericht op het stimuleren en steunen van voorlichting. Helaas is dit de niet meest effectieve methode om homofobie en transfobie tegen te gaan. Bovendien is het nog best lastig om effectieve voorlichting te geven.

lhbti voorlichting in nederland heeft nauwelijks effect

Het meeste recente onderzoek dat aantoont dat de effecten van voorlichting zeer beperkt zijn, komt uit Nederland zelf. In 2013 gaf het Ministerie van Onderwijs €8.000 à €10.000 aan 130 scholen om te experimenteren met LHBT beleid. De scholen mochten zelf beslissen wat ze deden. Maar bepaalde thema's, zoals schoolregels, leerlingenbegeleiding, contact met ouders en voorlichting waren verplichte aandachtspunten. De impact werd stevig onderzocht. De effecten waren teleurstellend. In het voortgezet onderwijs (waar veel scholen voorlichting door vrijwilligers inschakelden) was het effect nihil, zowel op gedrag als op houding. In het basisonderwijs was er wel een effect van voorlichting. Het was vooral zo dat leerlingen na de voorlichting wisten wat de woorden "homo", "lesbisch", en soms wat "biseksueel" betekenen. "Transgender" wist men een stuk minder en het begrip "interseksueel" kwam blijkbaar niet aan de orde. De voorlichting in het basisonderwijs had wel effect op houding, maar niet op gedrag (bron: "Anders in de klas").

maximaal 15% effect bereiken

Is voorlichting dan zinloos? Zeker niet. Uit onderzoek naar lespakketten over andere thema's, zoals pesten, roken, seksualiteit, en milieuvriendelijkheid weten we dat sommige lespakketten zelfs wel tot 15% verandering in gedrag kunnen bereiken. De meeste pakketten verhogen overigens vooral de houding , maar gedragsverandering blijkt veel moeilijker te bereiken. Als pakketten wel gedragseffecten hebben, zoals KiVa (een anti-pestmethode), dan nemen ze meer uren dan gemiddeld in beslag en hebben ze naast voorlichting ook nog andere (gedrag)interventies in het pakket.
Het effect van 15% geldt doorgaans niet voor LHBTI lespakketten of gastlessen in Nederland. Daarvan is nog geen effect aangetoond. De meer effectieve pakketten zijn ontwikkeld met een zeer goede onderbouwing die goed inschat waar de leerlingen mee bezig zijn, ze hebben duidelijke meetbare doelen en ze gebruiken onderwijstechnieken waarvan bekend is dat ze houding en gedrag kunnen veranderen. Er bestaan nog geen LHBTI pakketten die een dergelijke onderbouwing hebben, en die zullen er ook niet snel komen omdat (in Nederland) alle overheden en private fondsen weigeren hier budget voor vrij te maken, "want er is al teveel materiaal op de markt"". Het enige wat de LHBTI-beweging nu kan doen, is bekijken welke "werkzame elementen" de meer effectieve pakketten uit andere sectoren bevatten, en die proberen te transponeren naar LHBTI voorlichting.

triggers en dialoog

Welke werkzame elementen zijn dat dan? Een van de belangrijkste elementen is dat de voorlichting moet aansluiten op de belevingswereld van jongeren. Jongeren die zichzelf als hetero (willen) definiëren, hebben niet een grote belangstelling voor homoseksualiteit. Alles wat buiten de norm van heteroseksualiteit valt, is weird en dus niet interessant, of men heeft er zelfs weerstand tegen.
Goede voorlichting gebruikt triggers om de aandacht en liefst ook warme belangstelling van leerlingen op te roepen. Dit is waarom veel voorlichtingspakketten film gebruiken. Naar verwachting zal in de toekomst ook steeds meer gebruik gemaakt worden van games . Zo maakt KiVa gebruik van een anti-pest game voor leerlingen.
Goede voorlichting is ook niet top-down. Het gaat over het algemeen immers niet zozeer om kennisoverdracht. Vertellen dat "homo" in het Grieks "gelijk" betekent, of dat het onderzoek naar of homoseksualiteit is aangeboren wisselende resultaten heeft, zal jongeren niet hun gevoel of mening laten veranderen. Goede voorlichting spreekt niet in eerste instantie het verstand aan, maar het hart (of de buik, of lever, zoals moslims zeggen). Mensen op gevoel aanspreken gaat alleen via een open en veilig gesprek. Dat type gesprek noemt men ook wel een dialoog. De kern van een dialoog is dat de begeleider niet de waarheid in pacht heeft, maar het gesprek wel begeleidt richting gemeenschappelijke delers.

nut en beperktheid van lhbti gastsprekers

Uit ander onderzoek blijkt dat rolmodellen een belangrijke invloed hebben. Zo blijkt uit divers Amerikaans onderzoek dat panel sessions (homo- en lesbische  gastsprekers) een effect op houding kunnen hebben. Tot nu toe is echter onduidelijk hoe en welke richting die effecten opgaan en waarom. Waarschijnlijk is dat omdat vrijwel alle LHBTI gastsprekers gewoon hun verhaal vertellen en vragen beantwoorden, maar doorgaans geen onderliggend plan hebben. Voor het effect lijkt het dan ook niets uit te maken wat ze precies zeggen. De grootste impact van LHBTI gastsprekers lijkt te zitten in het authentiek zijn. Als je maar vol zelfvertrouwen en eerlijk en open spreekt, dan maakt het verder niet veel uit wat je precies vertelt. Het effect is dat leerlingen onder de indruk zijn van het open verhaal en doorhebben dat sommige mensen zich niet schamen voor hun afwijking van de norm. Dit is een eerste zinvolle stap om eventueel hun houding te veranderen. Maar de leerlingen kunnen net zo goed beslissen dat de spreker een positieven uitzondering is op de regel. Als we het zo bekijken, is het ook logisch dat we van zulke sessie nog lang niet meer fatsoenlijk en minder discriminerend gedrag kunnen verwachten. In Nederland hebben de voorlichtingsgroepen onderzoek naar hun effectiviteit tot nu toe geweigerd.

adequate rolmodellen

Uit onderzoek naar rolmodellen blijkt echter dat het wel degelijk mogelijk is om via goede voorbeelden voorlichting te geven die meer gericht effect heeft. Bijvoorbeeld op specifiek gedrag. Een voorwaarde is dat het rolmodel duidelijk voor ogen heeft wat qua gedrag van leerlingen wil bereiken. Vage doelen zoals "bespreekbaarheid" of "laten zien dat homo's ook gewoon zijn" zijn dan niet voldoende. Betere doelen zouden kunnen zijn: "leerlingen vinden zoenende homo's prima" (houding) of "leerlingen ondersteunen coming-out van medeleerlingen" (gedrag). Het rolmodel voert dan een dialoog met de leerlingen, waarin ook de eigen ervaringen van het rolmodel aan de orde komen. De verhalen die het meeste effect hebben, bestaan uit:

  1. een probleem of uitdaging waar het rolmodel mee geconfronteerd is
  2. de strijd die het rolmodel met zichzelf of anderen voerde om de problemen op te lossen
  3. een of meer oplossingen die leerlingen kunnen imiteren of die hen inspireren voor het bedenken van eigen positief gedrag

Het helpt als het rolmodel iets ouder, of iets "machtiger" of populairder is dan de doelgroep. Die zijn meer geloofwaardig. Maar als ze veel ouder zijn, of bijvoorbeeld VIP's die niet echt aansluiten op de belevingswereld van jongeren, dan hebben ze niet genoeg geloofwaardigheid.

Rolmodellen hoeven niet live aanwezig te zijn. Ze kunnen ook via een film of een game ingebracht worden. Het is ook niet essentieel dat een rolmodel LHBT of I is. Het gewenste positieve gedrag is immers gedrag van hetero's, tenzij je voorlichting geeft voor empowerment van LHBTI jongeren. Dus juist heterojongeren en heterodocenten kunnen krachtige rolmodellen zijn voor leerlingen. Naar verwachting zullen mannen en jongens, en religieuze leiders met een constructieve houding en gedrag naar LHBTI potentieel de meest effectieve rolmodellen zijn.

planning en leerlijn

Uit onderzoek blijkt verder dat het aantal uren dat een leerling bezig is met een thema of vaardigheid recht evenredig is met het effect. Een sessie van twee uur heeft nauwelijks effect. Zelfs als een korte sessie wel een high impact heeft, dan raakt het effect al snel uitgedoofd na de sessie omdat men na de les weer terugkeert naar de routine van het homofobe en seksistische schoolklimaat. Uit onderzoek naar lespakketten blijkt dat meer duurzame gedrag effecten beginnen op te treden naar circa 20-30 uur aandacht. Veel thema's krijgen niet zoveel lesuren. In de praktijk betekent dit dat we moeten zoeken naar mogelijkheden om het thema vaker te laten terugkomen in het onderwijs. Dit terugkeren kan dan ook een opbouwend karakter krijgen; dus steeds net iets andere aandacht die aansluit op de leeftijdsfase van de leerlingen en waarbij het verwerkingsniveau steeds hoger/dieper wordt. Dat noemen we een doorlopende leerlijn .

Een doorlopende leerlijn is niet hetzelfde als in elk jaar in elke vak even aandacht bestreden aan seksuele diversiteit. Het opbouwende karakter zit niet in veelzijdige informatie, maar in een geplande aanpak van houding, vaardigheden en gedrag. Zoals al opgemerkt is aandacht en belangstelling een eerste voorwaarde voor goede voorlichting. In lagere klassen zou de nadruk daarom moeten liggen op het creëren van belangstelling. In hogere klassen zou de nadruk kunnen liggen op het oefenen van vaardigheden. Hoe we zo'n leerlijn systematisch kunnen opbouwen, daarover vertellen we meer in het volgende artikel in de serie "effectieve LHBT-emancipatie in scholen".