nieuws

jongeren gaan update criteria voor lhbt vriendelijke scholen maken

27 oktober 2016 - Wanneer is een school eigenlijk LHBT-vriendelijk? Die vraag is weer opgelaaid nadat de Onderwijsinspectie een maand geleden constateerde dat scholen wel "iets" doen aan voorlichting, maar dat de kwaliteit ervan ruim onvoldoende is om enig effect te hebben op het schoolklimaat. COC Nederland schreef de Tweede Kamer dat de COC Youth Council binnenkort zal komen met een lijst van criteria voor LHBT-vriendelijke scholen. EduDivers hoopt dat het jeugdadvies zal voortbouwen op wat er in de afgelopen 13 jaar al is gebeurd op dit terrein. Dit is een wat langer artikel, maar de moeite waard!

advies niet alleen baseren op eigen ervaringen

In dit artikel geeft EduDivers een overzicht van de zoektocht naar criteria die heeft plaatsgevonden in de afgelopen 13 jaar. Peter Dankmeijer, directeur van EduDivers zegt: "Het is nodig voort te bouwen op al het werk dat al is verzet op dit terrein. Ik hoop dat de COC Youth Council zich niet alleen baseert op eigen persoonlijke ervaringen. Die kunnen misleidend zijn. Openlijke LHBT jongeren zijn trots op hun openlijkheid en denken daarom vaak dat openheid en zichtbaarheid het belangrijkst zijn om een school LHBT-vriendelijk te maken. Maar zo werkt dat niet altijd. Uit het grote experimentele onderzoek op 120 scholen van enkele jaren terug bleek bijvoorbeeld dat scholen waar LHBT leerlingen zich het meest veilig voelen door de zichtbaarheid, de onveiligheid in feite was toegenomen. Er werd meer gescholden en gepest. Het is dus belangrijk om niet alleen te kijken naar eigen ervaringen en wensen maar ook naar onderzoek naar wat echt werkt."
In dit artikel vertellen we chronologisch over deze zoektocht en over de ontdekkingen.

initiatieven van de onderwijsinspectie

De controle op de kwaliteit van het onderwijs gebeurt door de Onderwijsinspectie. Dat is ook de reden waarom in de jaren '90 de COC Landelijke Werkgroep Onderwijs en daarna EduDivers (die de opvolger was van die werkgroep) nauw contact onderhield met de Inspectie. In 1993 gaf de landelijke werkgroep al een training aan de Inspectie. Dit was nog erg zoeken en gericht op basic bewustwording. Bijna tien jaar later, in 2002, besloot de Onderwijsinspectie dat training niet genoeg was en dat scholen richtlijnen nodig hadden. Empowerment Lifestyle Servies (de voorloper van EduDivers) werd ingehuurd om de brochure met richtlijnen onder verantwoordelijkheid van de Inspectie te schrijven. Deze brochure "Iedereen is anders" was gebaseerd op een analyse van de toen geldende richtlijnen van de Onderwijsinspectie en homo/lesbisch specifieke aanvullingen op plaatsen waar dat relevant was. Deze aanpak, om eerst te kijken naar waar onderwijsorganisaties mee bezig, te verkennen waar hun bestaande beleid verbeterd kan worden, en hen dan daarop stimuleren en ondersteunen is een hoeksteen geworden van veel latere projecten. Deze "integratiebenadering" lijkt effectiever dan zelf "reclamebenadering": zelf een aanbod te ontwikkelen en daarna steeds je eigen aanbod promoten. Na verloop van tijd worden mensen moe en geïrriteerd van zulke "homoreclame". Met een integratiebenadering is er meer kans dat mensen eigen ideeën over LHBT beleid gaan ontwikkelen en er dan zelf mee aan de slag gaan. Dit heeft in de sociale wetenschappen "eigenaarschap". Verbetering van scholen lukt alleen als de hetero's (ook) eigenaar worden van dit thema.
In de Inspectiebrochure werd niet concreet aangegeven wat scholen moeten doen, de Inspectie vond toen en u nog dat ze dat recht niet heeft. Wel gaf de brochure aan op welke gebieden scholen aandacht zouden moeten geven aan seksuele diversiteit: in het veiligheidsbeleid (met name anti-pestaanpak), in de onderwijsinhoud en het leerproces (dus niet alleen de schoolboeken en lessen, maar ook hoe leraren lesgeven), het schoolklimaat (wat scholen doen om iedereen zich welkom te laten voelen), zorg en begeleiding van leerlingen.

vrolijke scholen campagne en test

Kort na de verschijning van de inspectiebrochure kwam Empowerment met een "Vrolijke Scholen Campagne", waarin scholen werden opgeroepen zichzelf te beoordelen. Om scholen daarbij te helpen, werden de richtlijnen uit de Inspectiebrochure verwerkt in een online "vrolijke scholen test" met 10 vragen. De tien vragen grepen terug op de gebieden uit de Inspectiebrochure. Als scholen de test invulden, kregen ze een score die liep van "treurige school" naar "vrolijke school" en bij de resultaten kregen ze 20 adviezen: 10 voor veiligheidsbeleid in brede zin en 10 voor homospecifieke veiligheid. Nieuw was dat de Vrolijke Scholen Test niet alleen criteria voor kwaliteit bevatte, maar ook het besef dat een beleid maken een proces is. Bij elke vraag in de test kon men aangeven: dat doen we niet, dat doet een enkeling, dat doet de directie (papieren beleid), dat doet het hele team, daar doen de meeste leerlingen aan mee. Op deze manier werd duidelijk dat een school een aantal stappen doorloopt voor ze echt veilig zijn en dat alleen inhoudelijke criteria niet genoeg zijn om een school te beoordelen.

de benchmark lokaal beleid

In het begin van de jaren 2000 werd duidelijk dat veel gemeenten wel iets wilden doen aan LHBT beleid in scholen, maar dat niet zo duidelijk was hoe dat het best kon. MOVISIE liet Empowerment een onderzoek doen naar wanneer een gemeentebeleid naar het onderwijsveld effectief is. Dat was controversieel omdat gemeenten niet zo heel veel te zeggen hebben over scholen. Het onderzoek verscheen in 2005 onder de titel "Zwakke schakels in homo-emancipatie" en daarnaast maakte de Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit in 2008 er een korte samenvatting van in de vorm van een "benchmark voor effectief lokaal LHBT beleid" (2008). De benchmark bestaat uit tien eisen die gebaseerd zijn op de best practices van succesvolle gemeenten. De belangrijkste zijn dat de wethouder leiderschap toont, dat het beleid meerjarig is (inclusief financiering) en dat er door de gemeente afspraken worden gemaakt met schoolleiders over wat scholen gaan doen. Helaas zijn er maar enkele gemeenten die proberen effectief te zijn op LHBT onderwijsbeleid.

vensters van verantwoording

Vanaf 2007 nam de regering meer duidelijk leiderschap in de LHBT emancipatie. Ze stelde de landelijke Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit in om te werken aan een meerjarig programma om de onderwijssector "eigenaar" te maken van LHBT beleid op scholen. Eerst overlegde de alliantie met landelijke en lokale instellingen. Daarbij bleek dat de "oude" verzuilde onderwijsorganisaties hun macht snel verloren en dat die macht werd overgenomen door de scholen zelf en door hun nationale vertegenwoordigers in de sectorraden (verenigingen van schoolbesturen). De sectorrad voor het middelbaar onderwijs, de VO-raad, nam het initiatief in de verantwoording van de kwaliteit van scholen door het bouwen van een online verantwoordingsysteem: "Vensters van Verantwoording". De Onderwijsalliantie begreep direct dat het integreren van aandacht voor seksuele diversiteit in dit systeem de best manier was om ervoor te zorgen dat scholen continue aandacht blijven besteden aan (de integratie van) seksuele diversiteit. Het probleem was wel dat de sectorraden overtuigd moesten worden dat aandacht voor seksuele diversiteit daadwerkelijk een kwestie van schoolkwaliteit is die ergens gemonitord moet worden. In 2007-2010 was het bewustzijn bij de sectorraden nog zo beperkt dat dit niet goed lukte. Men was bang dat het "controversieel" voor zou zijn sommige scholen en de "keuzevrijheid van scholen zou beperken".

mooie woorden

Om het gesprek met scholen en sectorraden beter onderbouwd te kunnen voeren, voerde EduDivers in opdracht van de onderwijsalliantie een nulmeting uit onder schoolleiders. Dit onderzoek werd gedaan op basis van de criteria uit de Vrolijke Scholen Test, die in 2008 was herzien en in lijn gebracht met de nieuwe kwaliteitscriteria van de Onderwijsinspectie onder de naam VO-benchmark. Het onderzoeksrapport kwam uit in 2009 onder de titel "Mooie woorden". Het werd duidelijk dat schoolleiders hun eigen beleid erg rooskleurig inschatten. Vlak na "Mooie woorden" kwam de Onderwijsinspectie met een eigen onderzoek, waaruit bleek dat leerlingen en docenten een hele andere inschatting maken van de situatie dan schoolleiders. De Inspectie concludeerde dat schoolleiders meer in gesprek moeten met hun docenten en leerlingen om te snappen hoe de situatie echt is. EduDivers trok de conclusie dat het onderzoeken van criteria van goed schoolbeleid zinloos is als je alleen schoolleiders, of docenten, of leerlingen betrekt. Een goede "visitatie" zou de inschattingen en meningen van allemaal moeten bekijken.

expert meeting criteria voor een lhbt vriendelijke school

Om de sectorraden PO en VO dieper te betrekken in de discussie, organiseerde EduDivers in 2012 in het kader van de Onderwijsalliantie een expert meeting over kwaliteitscriteria. Dit was mede naar aanleiding van de "Roze Loper" die door het KIWA werd uitgevoerd in oudereninstellingen en de pilot die KIWA in opdracht van COC Tilburg had gedaan om een Roze Loper voor het onderwijs te ontwikkelen. Dit project mislukte omdat de beoordeelde scholen een zeer gemiddeld (niet zo goed) resultaat boekten en door het KIWA beoordeling totaal niet gemotiveerd werden om hun aanpak te verbeteren. Voor de expert meeting stelde EduDivers een discussienotitie samen om alle aanwezige experts te informeren over wat er al gaande was. Er was een pittige discussie tussen de PO-Raad, de VO-raad, het KIWA, COC Tilburg, enkele lerarenopleidingen en de Onderwijsalliantie. Iedereen werd beter geïnformeerd, maar er bleven meningsverschillen bestaan over de zinvolheid van een "Roze Loper" voor het onderwijs. De sectorraden zeiden: "dan hangt een school een bordje naast de deur en dan denken ze dat ze klaar zijn, maar het is een punt van voortdurende aandacht." Ze spraken ook liever van handreikingen of "sleutels" dan over criteria om scholen niet in de boom te jagen. De aandacht voor het leerproces van scholen in de Vrolijke Scholen Test vonden ze wel interessant. Aandacht in die richting in het "Venster Veiligheid" zou een optie kunnen zijn. Alleen wilden de sectorraden niet specifieke instrumenten van anderen promoten en dus de Vrolijke Scholen Test zelf niet opnemen in Vensters van Verantwoording.

de mijnid campagne en de geen-id test

Eveneens in 2012 besloot de Onderwijsalliantie dat het overleg met de landelijke instellingen en sectorraden niet voldoende opleverde. De sectorraden zeiden vooral te reageren op wensen en vragen van scholen. De Onderwijsalliantie besloot daarom om haar aandacht deels te verleggen naar het direct benaderen van scholen zelf. Twee jaar lang werden onder de noemer "MijnID campagne" elke maand in een andere regio alle scholen benaderd en gesprekken gevoerd met scholen die tot een gesprek bereid waren. Dat was meestal zo'n 20% van alle scholen. In de gesprekken werd verkend hoe de situatie op school was en wat een volgende stap zou kunnen zijn.
Om scholen verder op dat spoor te zetten, werd de Vrolijke Scholen Test volledig herzien en kreeg ze een nieuwe naam en uiterlijk: de "GeenID Test". Daarnaast werden de criteria uit de test nog eens extra uitgelegd in een boekje: "Open & Out: 10 regenboogsleutels voor scholen. De term "regenboogsleutels" werd gekozen om verwarring met de Roze Loper te voorkomen en omdat de sectorraden een term met "sleutels" inschatten als aantrekkelijk voor scholen. Een belangrijke verbetering van de regenboogsleutels was de indeling van de 10 criteria in 4 categorieën (die aansluiten op de manier waarop de Inspectie scholen controleert):

  1. Doelgericht werken: de school moet weten wat er speelt rond seksuele diversiteit (monitoring door onderzoek en registratie incidenten) en duidelijke en liefst meetbare doelen stellen om de situatie te verbeteren.
  2. Omgeving veilig maken: de school moet een anti-pestbeleid en een diversiteitbeleid hebben waarin expliciet aandacht is voor seksuele en gender diversiteit.
  3. Educatie: de school heeft een doorlopende leerlijn waarin respect voor seksuele diversiteit en relevante informatie/vaardigheden voor LHBT jongeren is verwerkt.
  4. Leerlingenbegeleiding en -participatie: de school begeleidt LHBT leerlingen en homofobe/transfobe leerlingen en zorgt dat initiatieven van leerlingen zoals GSA's en tolerantiegroepen worden ondersteund.

In trainingen voor scholen noemt EduDivers dit het DOEL (Doel-Omgeving-Educatie-Leerlingenparticipatie) model.
In de "regenboogsleutels" was voor het eerst ook aandacht voor onderzoek naar wat het best werkt en naar wat minder goed werkt. Zo blijkt uit onderzoek dat maatregelen om aan het begin van het schooljaar meteen samen met leerlingen duidelijke regels te formuleren (en die daarna te handhaven) de meest effectieve maatregelen zijn en dat bijvoorbeeld voorlichting en leerlingenbegeleiding een veel beperktere impact heeft op het schoolklimaat. Zulke ontdekkingen maken duidelijk dat het niet alleen gaat om een leerproces van scholen en om een tiental criteria, maar ook dat een school moet kiezen voor een duidelijke en onderbouwde strategie om echt veilig te worden. Om dit breder onder de aandacht te brengen, maakte EduDivers in 2014 de filmclip "DOELgericht naar een LHBT vriendelijke school".

schoolvisitaties door leerlingen

In de loop der jaren was in ieder geval ook duidelijk geworden dat scholen er niet op zitten te wachten onderzocht en ook nog beoordeeld te worden. Ze willen liever direct aan de slag met leerlingen. Om hier een weg in te vinden, ontwikkelde EduDivers in 2010 en 2011 de "schoolvisite", een informele schoolinspectie door leerlingen. Probleem was wel dat schoolleiders deze activiteit vooral zagen als een leuke leerervaring voor leerlingen, maar de aanbevelingen van de leerlingen niet serieus namen. EduDivers kreeg eind 2015 subsidie van het Schorerfonds om uit te zoeken hoe de schoolvisite zo kan worden verbeterd en ingebed dat GSA's en leerlingenraden hem kunnen gebruiken om echt invloed te hebben. Dit project wordt midden 2017 afgerond.

gewoon doen: richtlijnen voor docenten en uitgevers

In 2013 gaven de PO-Raad en de VO-raad EduDivers de opdracht om samen met de SLO (Instituut voor Leerplanontwikkeling) een veldverkenning te doen naar seksuele diversiteit in lesmaterialen en 'handreikingen" te ontwikkelen voor educatieve uitgevers en docenten. De SLO analyseerde een selectie schoolboeken en EduDivers deed een uitgebreide verkenning onder uitgevers, docenten, LHBT activisten, lerarenopleidingen en levensbeschouwelijke schoolorganisaties. De bevindingen waren deels zo choquerend dat het uitgebreide onderzoeksrapport zelf niet gepubliceerd mocht worden. Wel kwam er een boekje met "handreikingen" die officieel geen richtlijnen mogen heten maar wel best practices zijn: "Gewoon DOEN". In "Gewoon DOEN" wordt geadviseerd dat uitgevers en docenten zich niet beperken tot zomaar een willekeurig lesje over "homoseksualiteit", maar dat ze goed nadenken over welk gedrag ze leerlingen willen aanleren. Op basis van dat concrete doel kan je dan terugwerken naar welke houding je nodig hebt en welke informatie je nodig hebt om die houding en dat gedrag te bereiken. Zo voorkom je dat er in schoolboeken en lessen veel nutteloze informatie wordt gegeven en leuke maar zinloze filmpjes worden vertoond. Er worden ook allerlei praktische tips gegeven voor hoe uitgevers dat kunnen verwerken in schoolboeken en hoe ervaren en minder ervaren docenten het dan kunnen aanpakken in de klas.

lang verhaal samengevat

Dat was een lang verhaal, maar in 13 jaar is inderdaad al veel gebeurd. Kort samengevat hebben we uitgevonden:

  1. Vier pijlers van schoolbeleid Door de jaren heen hebben we steeds preciezer kunnen aangeven welke 10 regenboogsleutels nodig zijn voor scholen om zichzelf te verbeteren. De sleutels zijn gebaseerd op de kwaliteitscriteria van de Onderwijsinspectie, op onderzoek naar wat werkt en ze zijn getest op bruikbaarheid in docententrainingen. De vier pijlers zijn: de school heeft een visie en doel, de school maakt de schoolomgeving veilig en welkom, de school geeft in de lessen aandacht aan respectvol met elkaar omgaan en de school begeleidt en betrekt de leerlingen bij beleid rond seksuele diversiteit.
  2. Criteria als startpunt voor discussie We hebben ontdekt dat criteria op zichzelf weinig opleveren. Sommige van de criteria zijn belangrijker om aan te voldoen dan andere, wil je effect bereiken. Criteria moet je daarom niet zien als ideaal eindpunt, maar als startpunt om strategie te gaan maken. Goede afspraken op school maken over omgangsvormen blijkt het allerbelangrijkst te zijn. En die moeten dan wel samen consequent nagekomen worden. Losse lesjes werken niet voldoende.
  3. Een aanpak in stappen Het blijkt dat onveilige scholen niet in één klap veilig worden. En het negatief beoordelen van nog niet veilige scholen motiveert niet. Daarom is het nodig om bij het beoordelen en feedback geven aan scholen rekening te houden met de fase waarin ze zitten. In de GeenID test zijn dat vier fasen van commitment. Er zijn daarnaast ook andere manier van beoordelen in welke fase scholen zitten. EduDivers hanteert bijvoorbeeld bij schoolbegeleiding een 8-fasen model, dat op onderzoek naar organisatieverandering is gebaseerd.
  4. Nadenken over de zin en het effect van zichtbaarheid Vanuit de LHBT beweging wordt vaak gepleit voor meer zichtbaarheid als oplossing voor discriminatie. Daar moeten we kritisch over nadenken. Voor LHBT die er voor uit gekomen zijn, geeft elke vorm van zichtbaarheid het gevoel dat er meer veiligheid is, maar in werkelijkheid is vaak het omkeerde het geval. Het werkt beter om met elkaar te praten over omgangsvormen en te zorgen dat mensen echt ophouden met schelden en pesten. Dat hoeft niet dramatisch zichtbaar te zijn. Voor mensen die in de kast zitten kan zichtbaarheid zonder aandacht voor goede omgangsvormen extra negatief uitpakken. Het is dus belangrijk om na te denken welke vorm van zichtbaarheid zinvol is om te bereiken dat mensen LHBT fatsoenlijk gaan behandelen.

Peter Dankmeijer