nieuws

bevorderen voorlichtingsgroepen de norm van heteroseksualiteit?

7 juli 2012 - Hélène Frohard-Dourlent, een ex-voorlichter uit Parijs, denkt dat homo- en lesbische voorlichtingsgroepen in feite de norm van heteroseksualiteit bevorderen. Ze analyseert dat het aangaan van een “open dialoog” met middelbare scholieren, en het ernaar streven dat leerlingen uit eigen beweging daardoor homoseksualiteit gewoner gaan vinden, naïef is. Ze stelt zelfs dat door het negeren van de schoolcontext, zulke lessen gemakkelijk tot meer discriminatie kunnen leiden.

het anti homophobie programma

Hélène Frohard-Dourlent stelt dit in een artikel dat dit voorjaar verscheen in The Journal of LGBT Youth, een internationaal wetenschappelijk tijdschrift over seksuele diversiteit, jongeren en onderwijs. Zij was tot voor kort een voorlichtster bij MAG (Mouvement d’Affirmation des Jeunes Gais, Lesbiennes, Bis et Trans). MAG is een LHBT jongerengroep, die onder meer aan scholen een “AHE” (Anti Homofobie Educatie) programma biedt. Het Anti Homofobie Educatie programma lijkt sterk op de werkwijze van andere West-Europese voorlichtingsgroepen: de voorlichters zijn in principe vrij jong, het zijn homo’s en lesbo’s die ervoor uit gekomen zijn en daarover willen vertellen, het programma bestaat uit een open dialoog met leerlingen waarbij in principe de leerlingen aangeven wat aan de orde komt, de leerlingen worden aangemoedigd alles te zeggen en te vragen wat in hen opkomt, en het eigen verhaal van de homo/lesbische voorlichters maakt de discussie vaak erg persoonlijk en levendig.

Hélène Frohard-Dourlent werkte 3 jaar als voorlichter en coördinator bij MAG. Ze schreef het artikel niet omdat het specifieke MAG programma te analyseren, maar op dit soort voorlichting te reflecteren en om een discussie los te maken over de “normaliserende” en daardoor potentieel discriminerende effecten die zulke voorlichting kan hebben.

normalisering als een vorm van discriminatie

Het belangrijkste punt dat Hélène Frohard-Dourlent naar voren brengt is dat MAG vrijwilligers er naar streven dat leerlingen homoseksualiteit “normaal” gaan vinden. Veel MAG voorlichters hebben zelf ervaren dat homoseksualiteit niet makkelijk geaccepteerd wordt. Het idee achter de voorlichting is dat homoseksualiteit “onzichtbaar” is, dat mensen daardoor vooroordelen hebben, en dat de voorlichters door homoseksualiteit zichtbaar te maken en vooroordelen recht te zetten, de tolerantie zullen bevorderen.

In de praktijk van de voorlichtingen gaan de voorlichters echter nog een stap verder dan alleen het ontzenuwen van vooroordelen. Tegenover het beeld van leerlingen dat homoseksuelen afwijken van de enorm van heteroseksualiteit, zetten zij het beeld neer van zichzelf als “normale” mensen. De voorlichters vinden zichzelf gewoon en normaal en willen dat ook naar de leerlingen communiceren. Voorlichters die nichterig of potteus zijn, vertellen over polygamie, en voorlichters die duidelijk transgender zijn en over transseksualiteit willen vertellen en niet over seksuele voorkeur, zijn niet welkom in de voorlichtingsgroep. Kritische opmerkingen van jongeren over non-heteronormatieve vormen van seksualiteit en sekserolgedrag worden vaak genegeerd of zelfs veroordeeld als stereotypen die “niet representatief zijn”. Met andere woorden: alleen de homoseksuelen en lesbiennes die “normaal” (lees “aangepast aan de “heteronorm”) overkomen, zijn representatief. Hoewel het begrijpelijk is dat vrijwillige voorlichters soms deze weg kiezen omdat ze niet weten om te gaan met de heftige reacties van leerlingen, leidt dit in de praktijk tot marginalisering van alle seksueel diverse mensen behalve hetero’s, en homo’s en lesbiennes die zichzelf zo willen noemen en zich aangepast gedragen.

een open dialoog bestaat niet

De onderliggende veronderstelling van het voeren van een “open dialoog” is dat leerlingen een gebrek aan kennis hebben, en dat als je die corrigeert, ze een positiever beeld van homoseksuelen zullen krijgen. Of deze vooronderstelling klopt, is te betwijfelen.
Hélène Frohard-Dourlent vertelt hoe de voorlichters er de voorkeur aan gaven dat de leerlingen hun beledigingen en vooroordelen openlijk konden uiten in de klas, omdat de voorlichters er dan in het gesprek op in konden gaan. “Door het verbreken van het zwijgen rond homofoob gedrag, konden we de regulerende macht ervan doorbreken”. In plaats van schelden te verbieden, wat scholen vaak doen, willen de voorlichters een open gesprek aangaan en de leerlingen confronteren met de stereotypen en de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan het pesten. “In de dialoog proberen we te ontdekken wat deze veronderstellingen zijn, zodat de leerlingen zien welke machtsmechanismes door hun woorden in werking worden gezet.” Om dit te bereiken, geven voorlichters vaak geen directe antwoorden, maar stellen ze wedervragen die leerlingen aan het denken moeten zetten. Dit is niet makkelijk voor leerlingen, omdat hun voor vanzelfsprekend aangenomen waarden en normen op die manier ter discussie worden gesteld.

Toch bekritiseerd Hélène Frohard-Dourlent achteraf de effectiviteit van de “open dialoog”. Ze citeert Ellsworth, de zegt dat “het doen alsof jouw klas veilig is en dat je daar een democratische dialoog kunt voeren, maakt nog niet dat dit ook echt zo is” en zegt zelf: “In een maatschappij waarin vooroordelen nog steeds zijn geïntegreerd in organisaties, is het onmogelijk om een echte, authentieke uitwisseling van eigen meningen te hebben.”

Om het meer praktisch te zeggen: de manier waarop jongeren in een voorlichting praten met elkaar en de voorlichters, is op een enkele manier een echte open discussie. In werkelijkheid vindt in het gesprek een machtsstrijd plaats, waarin de waarden en normen van diverse leerlingen en voorlichters, jongens en meiden, elk met meer en minder status en met verschillende seksuele oriëntaties en sekserollen, met elkaar concurreren om bevestiging. De “ruimte voor open uitwisseling” die de voorlichters in dit voorlichtingsuur willen creëren, wordt mede bepaald door wat er aan de les vooraf is gegaan en door de verwachtingen van de leerlingen van wat de anderen met hun uitspraken gaan doen als de les is afgelopen en de voorlichters weg zijn. Hoe dat gebeurt, is niet alleen de persoonlijke inzet van de aanwezige leerlingen. Er zijn ook nog andere leerlingen, docenten, conciërges en schoolleiders die sterk medebepalen hoe die context op school is.

Bovendien realiseert Hélène Frohard-Dourlent zich achteraf dat de structuur van de voorlichtingsles in feite de autoritaire structuur van doceerlessen imiteert. De voorlichters zijn de ‘deskundigen’, die leerlingen indien nodig het zwijgen op leggen. Leerlingen uitnodigen om open te zijn over wat zij vinden, is eigenlijk vooral een opstapje naar een ‘rationele’ discussie, die er ‘automatisch’ toe met leiden dat leerlingen logischerwijs komen tot de universele waarheid dat iedereen gelijk is. Hoewel dit helemaal niet rijmt met hun dagelijkse ervaring en de schoolpraktijk. Hélène Frohard-Dourlent vindt dit “positivisme” een kenmerk van dominante groepen in de maatschappij, die doorgaans benadrukken dat er universele warden zijn waar iedereen zich aan dient te conformeren. Ze stelt dan ook dat homo/lesbische voorlichters, die zich er alleen op richten om “homoseksualiteit acceptabel te maken”, zo langzamerhand onderdeel zijn geworden van de maatschappelijk dominante groep, en nu in feite bezig zijn om hun eigen positie te versterken ten koste van andere minderheden. Nichten, butches, biseksuelen, polygame mensen, transgenders en andere van de norm afwijkende mensen worden door hun voorlichting in feite verder gemarginaliseerd.

de illusie van de coherente homo

Hélène Frohard-Dourlent sluit af men een reflectie op de voorlichters zelf. Dit zijn ook jonge mensen die nog niet zo lang geleden “zichzelf” hebben gedefinieerd en blij zijn dat ze hun homoseksualiteit een gewaardeerde plaats in hun leven hebben kunnen geven. Ze zien zichzelf als “een homo” of “een lesbo” en zien dat als een coherente identiteit die nu, eenmaal ‘ontdekt’, niet snel meer zal veranderen. Hun zelfvertrouwen staat nauw in verband met hun zelfbeeld als “normale homo” of lesbo. Niet alleen voor de leerlingen, maar ook voor de voorlichters zijn vragen over afwijkende leefstijlen niet altijd gemakkelijk. Ook in de voorlichting is het veel gemakkelijker om coherente heldere antwoorden te kunnen geven over wat homo en lesbisch is en niet al te ingewikkeld te gaan doen over de veelheid van belevingen en doorlopende veranderingen die zich voordoen op je seksuele voorkeur, gender expressie en andere punten waar je maatschappelijk op beoordeeld kan worden. Een dialoog over het hele complexe veld van mogelijke gevoelens, gedrag en identiteiten, en ervan uitgaan dat dit allemaal voortdurend kan veranderen, is dus ook voor de voorlichters moeilijk te voeren.

Hélène Frohard-Dourlent concludeert dat voorlichters zouden moeten nadenken over de effecten van hun voorlichting en hun werkwijzen die een mogelijk negatieve impact hebben. De voorlichting zou zich niet alleen tegen homofobie, maar breder tegen heteronormativiteit moeten richten. Ze hoorde onlangs dat MAG, nadat ze oorspronkelijk transvoorlichters weigerden, nu wel transvoorlichters aannamen en transgender thematiek gaan behandelen in hun sessie. Dit ziet ze als een kleine verbetering, maar een in de goede richting.

Peter Dankmeijer

Bron: Frohard-Dourlent, Hélène (2012). Working to “Increase Respect and Reduce Stigma”: Thinking Trhough the Possibilities and Limits of an Antihomophobia Education Program in Paris. In: Journal of LGBT Youth, 9:1, page 1-21, 2012