lesgeven

tekening van een 12 jarige leerling na een voorlichting

seksuele diversiteit in kringgesprekken

In sommige scholen zal het systematisch invoeren van een doorlopende leerlijn over seksuele diversiteit en leefvormen een brug te ver zijn. Ook kan het zijn dat docenten ervoor kiezen om de bespreking van relaties, seksualiteit, diversiteit en respect via kringgesprekken eerst een keer uit te proberen voordat ze er een complete lessenserie aan wijden. En natuurlijk kan het zo zijn dat u als docent in kringgesprekken te maken krijgt met spontane vragen en opmerkingen over diversiteit en emancipatie.

Leefvormen kunnen via verschillende aanleidingen op tafel komen, of door u bewust aan de orde worden gesteld. In dit hoofdstuk geven we een aantal mogelijke aanleidingen en suggesties voor hoe docenten het onderwerp in een kringgesprek zouden kunnen behandelen. We houden daarbij de indeling in onder- midden- en bovenbouw, en de vier thema's aan die we ook in het lespakket hebben gehanteerd. Dit hoofdstuk heeft daarom paragrafen over de onderbouw, de middenbouw en de bovenbouw. Dit maakt het ook gemakkelijk voor u om achtergrondinformatie op het niveau van uw kinderen na te slaan.
Binnen elk van deze paragrafen besteden we aandacht aan de vier thema's die we hebben onderscheiden in onze theorie: afwijkend gedrag, sekserolgedrag, seksualiteit en leefwijzen, en seksuele voorkeur. Bij elk thema besteden we aandacht aan:

  • wat de ervaring van leerlingen is
  • welke discussiethema's daaruit voortkomen
  • welke vragen u kunt verwachten
  • welke vragen u zelf kunt stellen
  • welke aanvullende werkvormen u kunt gebruiken als aanvulling op een kringgesprek of als overstap naar een lessenserie.

kringgesprekken in de onderbouw

In de onderbouw zijn kinderen nog in het begin van hun cognitieve ontwikkeling. Ze kijken veel om zich heen en in hun spel proberen zij te imiteren wat zij zien. Door te imiteren voelen ze wat ze prettig vinden en wat ze niet prettig vinden, en ervaren daarbij ook de mening van volwassenen en elkaar. De omgeving en opvoeders sturen daarbij voor een belangrijk deel de gevoelens die kinderen mogen ervaren.

afwijkend gedrag

Voor het leren omgaan met een diverse omgeving, is een tolerante grondhouding nodig. In de onderbouwleeftijd leggen we daarvoor, of voor intolerantie, reeds het fundament.
Als opvoeders kinderen alleen veiligheid bieden als zij stereotypen of patronen imiteren, of uitsluitend als zij aan strikte normen voldoen en bepaald gedrag vertonen, zullen de kinderen zich alleen dáárbij veilig voelen. Maar als hun opvoeders hun ook veiligheid laten ervaren bij het experimenteren met minder gebruikelijke situaties en gedragingen, dan zullen ze in hun latere leven meer zelfvertrouwen en meer respect voor diversiteit kunnen opbrengen.

Belangrijke gespreks- en spelthema's in deze periode zijn waarden, normen en vriendschap. Waarden en normen kan men niet bespreken op een abstract niveau, maar wel op het niveau van ervaringen en gevoel. Zo kan men spelen met verschillen tussen mensen in uiterlijk en leefstijl. Met name rond het thema vriendschap kan men waarden en normen rond relaties op een persoonlijk niveau bespreken.
Vragen die men in een kringgesprek zou kunnen stellen zijn bijvoorbeeld:

  • Heb jij wel eens een heftige mening over iets?
  • Wat mag wel en wat mag niet?
  • Wat is een echte vriend?
  • Kun je maar één goede vriend hebben of kun je meerder goede vrienden hebben?
  • Moet je iedereen gelijk behandelen of behandel je iedereen anders?
  • Welke dingen speel je na?
  • Waar heb je dit voorbeeld gezien?
  • Kan je dit ook op een andere manier spelen? Hoe voelt dat?

Als uitbreiding op een kringgesprek kan men in de poppenhoek of als toneelspel verschillende soorten gezinnen naspelen, of verschillende soorten vriendschap uitbeelden. Ook kan men de kinderen eenvoudig laten oefenen met hoe je beleefd tegen elkaar kunt doen, of hoe je juist in meer persoonlijke verhoudingen niet altijd beleefd hoeft te zijn. De docent kan ook verkleedpartijen organiseren, waarbij men kan variëren dat de kinderen zichzelf aankleden, of zich laten aankleden door anderen. Bij de meeste van deze oefeningen of spelletjes kan men nabespreken of de kinderen zich daarbij al dan niet prettig voelen. Als de kinderen zich niet prettig voelen, kan de docent zich afvragen hoe zij of hij de veiligheid nog verder kan verbeteren.

sekserolgedrag

Met name als de opvoeders nog een sterk traditionele leefstijl hebben, zullen kinderen in hun spel stereotype sekserollen imiteren. Het spelen van zulke rollen is in dat geval voor het kind van groot belang om zich veilig te voelen. Het spelen van strikte rolpatronen wil echter niet zeggen dat gevoelens daaromtrent op dat moment al onderdeel uitmaken van het karakter van het kind. Het gaat vooral om imitatie. Dit blijkt onder andere als kinderen absoluut nog niet voldoen aan allerlei maatschappelijke verwachtingen als ze op hun manier verliefd worden. Ze kunnen verliefd worden op zowel mannen als vrouwen, en zowel op volwassenen als op andere kinderen.

Als opvoeders of docenten te maken hebben met een startsituatie waarin kinderen vrijwel uitsluitend traditionele opvattingen laten zien, is het contraproductief deze op een radicale manier te doorbreken. Een "doorbrekende" benadering kan gemakkelijk ten koste van de veiligheid gaan, en dan is men nog verder van huis. Het ervaren van veiligheid en leren van zelfvertrouwen in deze leeftijd is de basis van later zelfbewustzijn en tolerantie. In een traditionele context gaat het er in eerste instantie om dat de docent of opvoeder enige nuancering aanbrengt.

Dit kunnen docenten met name doen door alternatieven te laten zien. Wij denken dat het tegengaan van traditioneel rolgedrag niet werkt. Als we nastreven dat kinderen ruimte krijgen voor het ontwikkelen van hun eigen opvattingen, dan moeten we ook de ruimte geven om te experimenteren met traditionele rolopvattingen. Zeker als de ouders traditionele opvattingen het meest sanctioneren, moeten kinderen ook ervaren in hoeverre de spanning van het afwijken, opweegt tegen de veiligheid de ouders thuis bieden door middel van traditionele opvattingen.

Gespreksthema's in deze periode rond sekserolgedrag zijn vooral het basisonderscheid en de overeenkomsten tussen mannen en vrouwen, op biologische gebied en andere terreinen. Veel docenten die meer diversiteit nastreven, voelen zich niet prettig bij het nadrukkelijk beschrijven van verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat kan aanvoelen als het bevestigen van de bestaande norm: bevestig je een regel niet door hem uitgebreid aandacht te geven? Wij geloven niet dat dit altijd zo werkt. Er bestaat immers in werkelijkheid een zekere rolverdeling. Ontkenning daarvan is niet functioneel. Docenten en opvoeders moeten de kinderen niet alleen ruimte bieden voor eigen keuzes, maar ook leren omgaan met de wereld zoals deze werkelijk is. Dat kunnen we doen door de werkelijkheid kritisch te bekijken en te onderzoeken.

Hier stuiten we op onze eigen socialisatie en waarneming. Probeert u uw werkelijkheid eens te beschrijven. Stel uzelf eens de vraag wat echt mannelijk en echt vrouwelijk is? In de afgelopen dertig jaar zijn veel, aan mannen en vrouwen toegeschreven rollen, in twijfel getrokken. De meeste mensen maken nog steeds een biologisch onderscheid tussen mannen en vrouwen, maar zelfs deze "zekerheid" raakt aangetast door de steeds meer zichtbare ervaringen van transseksuelen en transgenders. Het is goed om af en toe stil te staan bij hoe uzelf hierover denkt.

Dit denkproces kunt u niet met onderbouwkinderen herhalen, maar is wel belangrijk voor uzelf om helder te hebben hoe u in een gesprek of als begeleider bij een spel kunt reageren. In uw relatie met de kinderen is het minder belangrijk om hen informatief duidelijk te maken wat het verschil is tussen mannen en vrouwen. Het gaat erom gezamenlijk met hen de werkelijkheid te verkennen, en na te gaan welke variaties zij om zich heen zien. Uw zelfreflectie dient ertoe om, ook als we zelf zijn opgevoed met relatief rigide rolpatronen en misschien automatisch denken in tweedelingen als: man/vrouw, actief/passief, of sterk/zwak, te proberen ook open te staan voor variaties en schemergebieden. Door echt open te staan kunnen we dezelfde vragen die we aan onszelf stellen, ook aan de kinderen stellen. Vertaald naar hun niveau gaat het dan om eenvoudige vragen als:

  • Wat verwacht je van een jongen, wat verwacht je van een meisje?
  • Welke taken denk je dat typisch voor een jongen zijn of voor een meisje?
  • Welke kleding vind je leuk, welke activiteiten, waarom?
  • Wat kan een meisje later voor beroep kiezen, wat een jongen?
  • Waarom denk je dat dit jongensachtig of meisjesachtig is?

Kinderen zullen vooral antwoorden geven die verwijzen naar voorbeelden in de omgeving. Het is daarom belangrijk om anderen in de groep naar voorbeelden van variaties te vragen, en als deze niet komen, zelf concrete alternatieve voorbeelden voorhanden te hebben.
Als aanvullende werkvorm kunt u bijvoorbeeld voorwerpen uit de klas, of meegenomen van thuis, laten categoriseren als bruikbaar voor mannen of vrouwen. Ook is het in de onderbouw al goed om reeds op eenvoudig niveau te beginnen met seksuele voorlichting en biologische verschillen tussen jongens en meisjes te bespreken. Hiervoor kunt u tekeningen gebruiken of kleurplaten.

seksualiteit en leefwijzen

Tussen vier en zes jaar ontwikkelen kinderen voor het eerst een schaamtegevoel. Ze durven dan steeds minder bloot te zijn in het openbaar. Wel worden ze nieuwsgierig naar hoe anderen er bloot uitzien. Zoals vermeld, worden ze soms verliefd op anderen en melden soms enthousiast dat ze gaan trouwen met hun moeder, vader of met de lerares.

Gespreksthema's rond seksualiteit en leefwijzen in deze periode zijn bijvoorbeeld: verliefdheid, relaties, uit elkaar zijn, alleen zijn en schaamte. In zulke gesprekken kunt u de volgende vragen stellen:

  • Wat voel je als je verliefd bent?
  • Hoe lang duurt een relatie of vriendschap?
  • Mag je nee zeggen tegen aanrakingen van anderen?
  • Waarover schaam je jezelf? Waarover schaam je jezelf niet?
  • Wat voel je als je jezelf schaamt?

In aanvulling op een kringgesprek kunt u eenvoudige seksuele opvoeding geven. U kunt met de groep doornemen welke namen er zijn voor geslachtsdelen en andere erogene zones van het lichaam. U kunt gemeenschappelijke namen afspreken die iedereen in de groep prettig vindt. Door middel van aanwijzen, tekenen of bekijken van kleurplaten kunnen kinderen nadenken over waar hun lekkere plekjes zitten. U kunt de kinderen laten beschrijven of tekenen wat hun gevoelens zijn als ze zich ergens aanraken. U kunt een simpele uitleg geven over de voortplanting en over wat ongewenste seksuele intimiteiten zijn. Verder kunt u een overzicht geven over welke verschillende relatievormen er zijn en uitleggen wat de verschillen zijn. Een leuk voorlichtingsboek is: "Ik vind jouw lief" van Sanderijn van der Doef en Marian Latour. In "Geboren worden" van Sheila Kitzinger en Lennart Nilsson, en in "Wij krijgen een baby" van Swanberg en Nilsson vindt u ook foto's van conceptie, zwangerschap en geboorte.

seksuele voorkeuren

In de onderbouw leeftijd maken kinderen nog geen onderscheid tussen seksuele voorkeuren. Het begrip "seksuele voorkeur" zoals wij dat kennen en interpreteren, heeft overigens weinig te maken heeft met seksualiteit, en heeft vooral betrekking op identiteit. De identiteitsontwikkeling rond seksuele voorkeur begint bij de meeste jongeren pas serieuze vormen aan te nemen op hun vijftiende. In de onderbouw hebben kinderen daar vaak nog geen beeld van, behalve als zij in hun omgeving voorbeelden van homo- of lesbische paren zien.
De kinderen hebben vaak schetsmatige ideeën over romantiek en over gezinnen. Ze leven vooral in het heden en beelden over relaties en gezinnen hebben geen betrekking op hun eigen toekomst. Kinderen worden net zo makkelijk verliefd op iemand van het eigen geslacht als op iemand van het andere geslacht. Als kinderen verliefdheden tonen op iemand van het eigen geslacht, reageren volwassenen vaak lacherig, of ze negeren het.
Een bijdrage aan een meer gezonde ontwikkeling zou kunnen zijn om dit soort verliefdheden net zo serieus te nemen als verliefdheden op het andere geslacht. Als gespreksthema in deze situatie kan men het hebben over verliefdheid in het algemeen. Als andere kinderen afwijzend reageren of er is door ouders of opvoeders negerend of negatief gereageerd, kan men in een kringgesprek onderzoeken hoe dat ging en waarom.

kringgesprekken in de middenbouw

In de middenbouw gaan kinderen meer sociaal leren. De kinderen denken steeds meer in termen van de groep waar je bij hoort, en de "anderen". Dit noemt men ook wel ingroup en outgroup denken. De meest mensen willen graag horen bij een groep, en het conformisme van kinderen kan stevige vormen aannemen. Ze willen er steeds meer hetzelfde uitzien als vrienden en kennissen. Men kijkt naar het voorbeeldgedrag van leeftijdsgenoten.
De kinderen gaan ook steeds meer spelen in seksespecifieke groepen. De jongens beginnen de meisjes stom te vinden en vice versa. De fysieke ontwikkeling va meisjes gaat sneller dan die van jongens, en de meiden raken dus enigszins voor op de jongens. De meisjes die verder zijn in ontwikkeling worden benijd door anderen. Door gedrag bij elkaar af te kijken, krijgen kinderen een meer duidelijk beeld van jongens- en meisjesgedrag. Als het gaat over de relaties, zijn kinderen al vaak bezig met fantaseren over verliefdheid. Op mensen van het andere geslacht, maar ook nog wel op personen van het eigen geslacht. Popidolen zijn belangrijk bij deze verliefdheden. De liefdes zijn vaak nog niet seksueel getint. Seksualiteit wekt wel steeds meer belangstelling op, maar heeft ook hele dubbele associaties. Het is onbekend, en als volwassenen erover praten lijkt het vaak iets dat vies en eng is. Maar ook spannend. De belangstelling gaat op deze leeftijd uit naar seksuele technieken van volwassenen, en niet naar het zelf hebben van seks op die manier. Op hun eigen wijze zijn kinderen echter wel meer dan vroeger bezig met seks. Sommige kinderen doen aan zelfbevrediging en prille gevoelens van verliefdheid zijn belangrijk. Door "doktertje" te spelen, experimenteren kinderen met lijfelijkheid en erotiek. Dit soort zaken houden ze echter liever geheim. Omdat het schaamtegevoel zich verder ontwikkelt, praten en vragen kinderen minder over seks dan ze met een onbevangen nieuwsgierigheid wellicht zouden doen.

afwijkend gedrag

De toenemende tegenstelling tussen jongens en meisjes en het ingroup en outgroup gedrag maken dat groepsnormen, vriendschap, uitsluiting en onderlinge verschillen belangrijke discussiethema's zijn in deze fase. Vragen om deze discussie te beginnen zijn bijvoorbeeld:

  • Wat is een echte vriend(in)?
  • Wie zijn jou beste kennissen?
  • Wie hoort er bij jou groep en wie niet?
  • Waarom laat je sommige kinderen toe tot je groep?
  • Waarom sluit je andere kinderen uit?
  • Als je mensen niet bij de groep wilt hebben, hoe laat je dat merken?
  • Gebeurt dat op een vervelende manier?
  • Zou je zelf zo behandeld willen worden?
  • Wat is pesten? Wat is "een grapje maken"?
  • Wanneer wordt "een grapje maken" vervelend?
  • Wat is discriminatie?
  • Wat kun je terug zeggen als je gepest of gediscrimineerd wordt?
  • Met wie verschil je van mening? Hoe ga je daarmee om?

Als u de discussie die voortkomt uit een kringgesprek verder wilt uitbreiden met werkvormen, kunt u de nieuwsgierigheid en het respect van kinderen stimuleren door oefeningen te doen, waarmee de kinderen verkennen hoe zij denken en hoe men in hun omgeving denkt over vriendschap, relaties, en verschillen tussen jongens en meisjes. Ook kunt u ze leren respect te hebben voor elkaar. Dit kan door regels af te spreken hoe je kunt omgaan met pesten en met agressie. Ook kunt u met de kinderen oefenen hoe je op een prettige manier belangstelling kunt tonen voor elkaar, en hoe je kunt omgaan met een emotionele afkeer van iets dat je vreemd vindt.

sekserolgedrag

De toenemende verschillen tussen jongens en meisjes kunnen tot stereotiep gedrag leiden, en soms zelfs tot eerste vormen van seksediscriminatie. Stereotypen, seksdiscriminatie en vriendschappen tussen jongens en meisjes, jongens en jongens, en meisjes en meisjes, zijn daardoor belangrijke thema's om te bespreken. Vragen die u zou kunnen stellen zijn:

  • Welke verwachtingen hebben jullie van elkaar?
  • Wat zijn verschillen tussen jongens en meisjes?

-Waarom zijn jongens / meisjes stom?

U kunt ontwikkelingsverschillen tussen jongens en meisjes toelichten. Als u het kringgesprek wilt voortzetten via werkvormen, kunt u in de middenbouw alvast beginnen om de woorden homoseksualiteit, heteroseksualiteit, transseksualiteit en biseksualiteit en travestiet uit te leggen. U kunt liefde, vriendschap, man-vrouw relaties, man-man relaties en vrouw-vrouw relaties met de kinderen nader verkennen met behulp van krantenknipsels, collages en tekeningen.

seksualiteit en leefwijzen

Wat seksualiteit betreft zijn verliefdheid en volwassen seksualiteit interesse opwekkende onderwerpen. "Verliefdheid" gaat vooral over hoe je jezelf voelt, terwijl "seksualiteit" voor kinderen vooral vragen oproept over wat er gebeurt bij volwassenen. Vragen die u zou kunnen stellen over verliefdheid zijn:

  • Wat voel je als je verliefd bent?
  • Wat als de ander niet verliefd is op jou?
  • Wat is liefdesverdriet?
  • Als je verliefd bent, wil je dan ook vrijen?

Bij het bespreken van volwassen seksualiteit kunt u nagaan wat de kinderen werkelijk weten over wat er gebeurt bij seks. Los van de seks kunt u navragen wat kinderen al weten over de voortplanting. Afhankelijk van de groep kunt u in de kring of in gescheiden subgroepen, jongens en meisjes hierover informatie geven. U kunt er ook voor kiezen de informatie en bespreking van deze onderwerpen in kleine stukjes, gefaseerd aan te pakken. Naast het technische proces van seks of voortplanting is het wijs alvast toe te lichten wat menstruatie en zaadlozing is en hoe dat gebeurt. Verder is het belangrijk om aandacht te besteden aan seksueel geweld en aan wat ongewenste intimiteiten zijn. Daarbij moet er ook gewezen worden naar mogelijkheden voor hulpverlening. Meer informatie over wat u bij voorlichting aan de orde kunt stellen vindt u in: "Kleine mensen, grote gevoelens" van Sanderijn van der Doef.

seksuele voorkeuren

Ook in de middenbouw zijn kinderen nog niet echt met seksuele voorkeuren bezig. Het feit dat jongens veel met jongen op trekken en meisjes veel met meisjes, geeft wel aanleiding om te praten over wat er prettig is aan meiden- en jongensvriendschappen. Als we met deze gesprekken de eigenwaarde van leerlingen bevorderen, en ze niet bang worden om gezien te worden als onvolwaardig als ze te intiem contact hebben met iemand van het eigen geslacht, dan wordt daarmee een belangrijke basis voor latere homo- en lesbische discriminatie weggenomen.
Het gespreksthema "vriendschap" is daardoor erg relevant, maar ook de onderwerpen diversiteit, respect, discriminatie, voor je mening uitkomen, en in sommige kringen: zondebesef. Vragen die men zou kunnen stellen zijn:

  • Wat is er prettig aan het hebben van een goede vriend of vriendin?
  • Wat kun je makkelijker met iemand delen van je eigen geslacht?
  • Hoe ga je om met een vriend(in) als die andere die vriend(in) niet ziet zitten?
  • Wat doe je als je ziet dat iemand gediscrimineerd wordt?
  • Kan iemand die gediscrimineerd wordt jouw vriend blijven?
  • Welke popidolen zijn heteroseksueel, homoseksueel, lesbisch of biseksueel?
  • Hoe denk je daarover?
  • Is verliefd zijn op een jongen anders dan verliefd zijn op een meisje?
  • Sommige mensen zeggen dat bepaalde gevoelens of daden zondig zijn, wat denk je daarover?
  • Hoe voelt "zondig"? Wat betekent het?

Als uitbreiding op de discussie kunt u nader uitleggen wat homo, lesbisch of biseksueel is en begrippen uitleggen als "er voor uit komen" dat je iets vindt of bent. In "Leefvormen" van Stichting EduDivers staat op pagina 81 een oefening waarbij leerlingen moeten reageren op een verhaaltje waarin iemand homoseksueel blijkt te zijn.

kringgesprekken in de bovenbouw

Kinderen in de bovenbouw maken een eerste start met het ontwikkelen van een eigen identiteit. Ze ervaren een nieuw bewustzijn van zichzelf en beginnen zichzelf te bekijken door de ogen van een ander. Soms levert dit een gevoel van vervreemding op. De lichamelijke ontwikkeling van jongens en meisjes gaat verder uiteenlopen: meisjes ontwikkelen zich sneller. De eerste menstruatie van meisjes valt gemiddeld rond hun twaalfde jaar. Jongens hebben hun eerste zaadlozing rond hun dertiende jaar. Nu is voortplanting mogelijk.
Bij veel kinderen ontstaat onzekerheid over hoe hun lichaam zich ontwikkelt, en met name de grootte van de borsten en de lengte van de penis. Ook bestaat er onzekerheid over hoe men een "relatie" kan beginnen. Degenen die zich onzeker voelen, houden zich op de vlakte. De meer zekere jongeren zullen reeds beginnen met het maken van afspraakjes. Rond twaalf en dertien jaar beginnen kinderen ook duidelijk volwassen seksuele fantasieën te krijgen. Ze beginnen dan ook met tongzoenen en elkaar strelen. Enkelen hebben in de laatste fase van de basisschool zelfs al geslachtsgemeenschap.

afwijkend gedrag

Discussies in kringgesprekken in de bovenbouw rond groepsgedrag kunnen aansluiten op de affectieve ontwikkeling door in te gaan op meningsvorming. De docent kan bijvoorbeeld verschillende soorten vriendschappen, discriminatie en uitsluiting te sprake brengen of uit laten werken. In kringgesprekken komen vaak incidenten aan de orde. De docent kan deze omzetten in een discussie door de kinderen te vragen een feitelijke beschrijving te geven van wat er gebeurd is, en door hen te laten vertellen hoe zij in eerste instantie hebben gereageerd, of zouden reageren in zo'n situatie. Vraag altijd eerst het slachtoffer om haar of zijn beschrijving, dan de daders, en tenslotte de omstanders. In eventueel vervolg op zo'n start, kunt u nader doorgaan op een meer abstract niveau. Dat kan door te inventariseren welke meningen, oordelen, waarden en normen een rol speelden bij de ontwikkeling van het incident. Daarbij kunt u doorvragen hoe de kinderen hun waarden hebben geleerd, en met welke gevoelens die gepaard gaan. Bijvoorbeeld:

  • Heb je deze waarden (of mening) van je ouders is, van andere familieleden, of uit de krant?
  • Gedraag je jezelf altijd volgens die normen en waarden, of soms niet?
  • Wanneer wel, en wanneer niet?
  • Wat voel je, als iemand een andere mening heeft dan jij?
  • Wat voel je, als je zelf afwijkt van wat de meeste anderen vinden?

Ook over het verschil tussen de waarden van ouders en kinderen kunt u voorzichtig doorvragen. Dit kan voor sommigen een nog moeilijke oefening zijn, omdat de kinderen in deze leeftijd nog maar net beginnen de eigen mening te differentiëren van die van anderen.

Aanvullend kan de docent via "vraag- en antwoordoefeningen" of in rollenspelen manieren trainen om jezelf tegen discriminatie en pesten te verzetten, en om je eigen mening beter te uiten. U kunt ook aandacht besteden aan de sociale kaart (kindertelefoon, enzovoorts) en met de kinderen bespreken waar en hoe zij bij problemen om hulp kunnen vragen.

sekserolgedrag

In deze fase kan de docent voortbouwen op de discussies uit de middenbouw over stereotiepen en seksediscriminatie. De kinderen hebben nu genoeg cognitief vermogen om te kunnen herkennen dat mensen in verschillende culturen en subculturen verschillend omgaan met sekserollen. Dit kunt u ze laten beschrijven. Met enige hulp kunnen de kinderen daarbij ontdekken dat er vaak sprake is van een dubbele moraal ten aanzien van mannen en vrouwen. Dit helpt hen om te beseffen dat er bij een rolverdeling soms sprake is van ongerechtvaardigde achterstelling. Vragen die u in het kringgesprek zou kunnen stellen zijn bijvoorbeeld:

  • Wie neemt het initiatief tot een afspraakje of relatie?
  • Welke normen gelden er in deze situatie, waarom is dat?
  • Wat is een dubbele moraal?
  • Hoe zou het zijn als dit (een bepaald rolgedrag) andersom doet dan nu?

In aanvullende werkvormen kunt u seksestereotypen relativeren, bijvoorbeeld via rollenspel of poppenspel. Dit kan ook door collages te maken of door poppen te tekenen die de kinderen aankleden met kleding die uitgeknipt is uit bladen.

seksualiteit en leefwijzen

Seksualiteit is voor velen moeilijk bespreekbaar, maar als de kinderen in de puberteit komen, levert dat vaak wel gespreksstof op. Hoewel kinderen pas echt in de puberteit komen als ze naar het voortgezet onderwijs gaan, is het goed om uit te leggen wat de puberteit is en wat ze te wachten staat. Dit is mede om te voorkomen dat de puberteit sommige van de kinderen echt overvalt.
Naast de biologische ontwikkeling kan de beginnende onzekerheid, die bij sommige leerlingen reeds zichtbaar is, ter sprake worden gebracht. Kinderen zijn op deze leeftijd al bezig allerlei afspraakjes te maken, en oriënteren zich op relaties en beginnende seksualiteit. Ook deze onzekerheid en het maatschappelijke taboe rond seksualiteit zijn daardoor onderwerpen die men kan bespreken. Hoe men dat doet, hangt af van de groep. In een multiculturele groep is het aan te bevelen deels aparte gesprekken te voeren met jongens en meisjes. Vragen die zou kunnen stellen zijn:

  • Heb je broertjes of zusjes die in de puberteit zijn?
  • Wat waren hun ervaringen?
  • Heeft al een iemand een afspraakje gemaakt met een ander?
  • Hoe ging dat?
  • Hoe pak je dat aan?
  • Kunnen anderen van jouw ervaring profiteren, wat moet je wel doen en wat niet?
  • Taboes zijn er in elke maatschappij en elke cultuur. Weet jij wat voor taboes er zijn?
  • Hoe ga je om met verschillende ideeën over relaties en leefvormen?
  • Over welke seksuele onderwerpen mag je wel praten en welke niet?
  • Van wie mag dat wel en van wie niet? Waarom?

Er is in deze fase veel informatie te geven. Het is daarom aan te bevelen om aan kringgesprekken geregeld een informatieve werkvorm te koppelen. Naast de basisinformatie over voortplanting en seksualiteit zelf, kunt u nu aandacht besteden aan anticonceptie, zoals pil- en condoomgebruik, maar ook onthouding. Met het toenemen van de afspraakjes en het oefenen van de jongeren met hun eerste vage relaties, is het belangrijk (weer) aandacht te besteden aan ongewenste intimiteiten en het voorkomen van seksueel geweld. Daarbij is het erg belangrijk dat jongens en meisjes weten wat ze van elkaar verwachten. In een multiculturele groep (maar ook in monoculturele groepen) kan men meisjes- en jongenssubgroepen (anoniem) vragen aan elkaar laten stellen, die vervolgens, na voorbespreking in de subgroepen, plenair worden beantwoord. Dit geeft vaak een heel nieuw inzicht in de belevingswerelden van jongens en meisjes.

seksuele voorkeuren

Bij een deel van de jongeren ontstaat een fascinatie voor jongeren van het eigen geslacht. Vaak benoemt men dat nog niet als een homoseksuele aantrekkingskracht, maar heeft men wel het idee dat er iets aan de hand is en dat men "afwijkt". Op dertienjarige leeftijd heeft 18% van de jongens en 15% van de meisjes erotische fantasieën over iemand van het eigen geslacht. Rond de helft van de jongeren kent de betekenis van het woord "homoseksualiteit" nog niet, terwijl het woord wel vaak gebruikt wordt als scheldwoord. In deze sfeer zullen veel jongeren moeite hebben om zichzelf als homo te benoemen.
Op TV, in de vorm van series of op het nieuws, komen regelmatig beelden van homoseksualiteit aan de orde. Dit kunnen ingangen zijn om het over het thema te hebben. Over het algemeen besteden de media meer aandacht aan de meer extreme vormen van homoseksualiteit. Veel voorkomen beelden zijn:

  • Overdreven travestieten (("camp", een parodie op heteroseksuele rolpatronen)
  • Grotendeels blote mannen bij parades of seksparty's (viering van vrije seksualiteit, die homo's vroeger geheim moesten houden)
  • Roze Zaterdag of de bootparade in de Amsterdamse grachten (gelegenheden waarbij homo's en lesbo's vieren dat zij ervoor kunnen uitkomen en zich niet meer verborgen hoeven te houden)
  • Een nichterige man in een televisieserie
  • "Gewone" homo's in een soap
  • Een film waarin een lesbische vrouw een vampier of mannenmoordenaar blijkt.

Hoe homoseksualiteit ook in de media komt, het onderwerp is nog zo geladen met waarden en normen dat er altijd meer over te zeggen is dan over meer vanzelfsprekende beelden. Over zulke TV beelden kan de docent vragen welke werkelijkheid zij weerspiegelen, en uitleggen wat erachter zit. Zonder achtergrondinformatie zijn de beelden soms moeilijk te plaatsen.
Als oefening kunnen kinderen opdracht krijgen om in hun omgeving na te vragen wat homo's en lesbiennes van die berichtgeving vinden. Dit kan bij personen die de docent daarvoor benadert buiten school, maar het kunnen ook homo- of lesbische ouders van kinderen op school zijn. Op deze manier krijgen homo's en lesbiennes de gelegenheid om hun eigen dagelijkse leven toe te lichten.
Een andere mogelijkheid om over seksuele voorkeuren te praten is het thema "leefvormen" aan de orde te stellen. U kunt een overzicht geven van welke leefvormen er zijn, en de overeenkomsten en verschillen daartussen. Ook hieraan kunt u interviews koppelen.

Er zijn dus veel manieren om diversiteit en leefvormen om kringgesprekken te bespreken. Het daarbij laten, zal echter aan niet veel bijdragen aan een breed niveau van tolerantie op uw school. Naast het werk aan educatie, is het voor de school van belang deze gevoelige onderwerpen binnen de school en onder de ouders draagvlak te geven. Lees daarvoor het artikel: ouders betrekken bij seksuele diversiteit in de basisschool.

Peter Dankmeijer/EduDivers, 2000