geenid test

homospecifieke leerlingenbegeleiding

In dit artikel gaan we in op homospecifieke aspecten van leerlingenbegeleiding. We gaan er van uit dat vertrouwenspersonen en leerlingbegeleiders reeds voldoende ervaring hebben met leerlingenbegeleiding in het algemeen en besteden daar in dit artikel geen aandacht aan.

Homospecifieke leerlingenbegeleiding is op een aantal punten anders dan leerlingenbegeleiding in het algemeen. In homospecifieke leerlingenbegeleiding staan identiteitstwijfels van potentiële homoseksuele, lesbische leerlingen en biseksuele leerlingen en hun problemen met het voor hun gevoelens uitkomen naar hun omgeving centraal. Jongeren met zulke twijfels of problemen kunnen dit als heel knellend ervaren en onzorgvuldige reacties van begeleiders kunnen een negatieve invloed hebben op hun zelfontplooiïng en schoolcarrière. In dit artikel geven we informatie en aanwijzingen voor hoe leerlingbegeleiders hiermee kunnen omgaan.

Het artikel is verdeeld in vier delen. Eerst gaan in op de seksuele ontwikkeling van jongeren in het algemeen en van homoseksuele, lesbische en biseksuele jongeren in het bijzonder. Daarna gaan in op hoe leerlingen met homo-, biseksuele of lesbische gevoelens zich kunnen manifesteren in de school. Dan geven we een serie praktische suggesties voor leerlingenbegeleiders en mentoren. Aan het eind van het artikel gaan we kort in op vier valkuilen die we regelmatig zien in de praktijk van homospecifieke begeleiding.

1. Seksuele ontwikkeling

  • a. De "heteroseksuele" omgeving
  • b. De homoseksuele jongeren
  • c. Onveiligheid
  • d. Psychosociale problematiek

2. Signalering van homospecifieke problematiek

  • a. Zelfbeleving
  • b. Beleving van de schoolomgeving
  • c. Beleving van psychosociale problemen
  • d. Beleving door leerlingbegeleiders

3. Praktische suggesties voor de begeleiding

  • a. Toegankelijkheid
  • b. Counseling
  • c. Ontmoeting
  • d. Omgaan met ouders
  • e. Openheid op school
  • f. Gecompliceerde coming-out problematiek

4. Veel voorkomende valkuilen

  • a. Gebrek aan toegankelijkheid
  • b. Homoseksuele gevoelens bagatelliseren
  • c. Teveel meegaan in vrees
  • d. Overmatig optimisme over acceptatie

1. seksuele ontwikkeling

Dit deel is een schets van de feitelijke situatie van homo- en heteroseksuele jongeren. We gaan eerst in op het "heteroseksuele" school- en leefklimaat waarin homoseksuele jongeren opgroeien. Dit is een context waarmee homoseksuele jongeren zich moeten leren te verhouden. Daarna gaan we in op hoe de ontwikkeling van homoseksuele jongeren daarvan afwijkt. Vervolgens gaan we in op de onveiligheid die voor homoseksuele jongeren ontstaat en op de psychosociale problemen die daaruit voort kunnen vloeien.

de "heteroseksuele" omgeving

Kort na de basisschool komen de jongeren in de puberteit. Dit is een onzekere periode. Lichamelijke veranderingen vormen een bron van angst voor vele scholieren. Heb ik te kleine borsten, een te kleine penis, hoe kom ik van mijn puistjes af? Uiterlijk wordt buitengewoon belangrijk. Jongeren zijn voortdurend aan het kijken en vergelijken. De onderzoekers Stravers en Rademakers beschreven hoe (hetero)jongeren bij hun relatievorming een zogenoemde "seksuele interactiecarrière" in drie stappen doormaken.

  • In de eerste stap (circa 11-15 jaar) bevinden de jongeren zich vooral in seksespecifieke groepen en maakt men af en toe uitstapjes naar personen van het andere geslacht. Deze uitstapjes komen steeds meer in een sekse-, rolgebonden en erotisch kader te staan. Jongens worden steeds stoerder en uitdagender en meisjes beginnen hun vrouwelijkheid uit te buiten in het contact met de jongens.
  • In een volgende stap (circa 14-18 jaar) vinden steeds meer experimenten plaats in het contact maken met de andere sekse. Van volwassen relaties en een vast patroon kan men dan nog niet spreken. In deze sfeer vinden de eerste seksuele contacten meestal plaats.
  • In de laatste stap (circa 16-20 jaar) neemt het experimentele karakter van de contacten af en vormen zich meer stabiele heteroseksuele tweerelaties. De seksespecifieke vrienden- en vriendinnenkringen lossen zich steeds meer op en worden doorgaans vervangen door vriendenkringen rond de tweerelaties.

De beschrijving van de interactiecarrière door Stravers en Rademakers is gebaseerd op gemiddelden en geeft geen standaard- of ideaalpatroon aan. Hij gaat niet altijd op voor heterojongeren, maar vaak helemaal niet voor andere groepen jongeren, waaronder groepen allochtonen of voor homoseksuelen.

In West-Europa zagen we een algemene ontwikkeling van een bevelsopvoeding in de richting van een onderhandelingsopvoeding (Dubois - Reymond, De Swaan, Pels). Naarmate Nederlandse jongeren ouder worden, krijgen zij meer vrijheid van handelen. De Nederlandse opvoeding staat sinds de jaren zestig in het kader van zelfontplooiïng. Allochtonen in Nederland hebben moeite om deze omschakeling naar de onderhandelingsopvoeding te maken, omdat hun eigen cultuur daar weinig aanknopingspunten voor geeft. Maar ook Nederlandse gezinnen maken deze omschakeling niet altijd even soepel.

Hoewel de Nederlandse opvoeding jongeren steeds meer ruimte biedt, zien we dat bepaalde waarden centraal blijven staan. Samenvattend en enigszins gechargeerd zouden we kunnen zeggen, dat jongeren en hun ouders verwachten dat:

  • iedereen heteroseksueel is
  • iedereen een romantische, eeuwigdurende, monogame relatie nastreeft
  • een relatie leidt tot een gezin waarin een min of meer duidelijke sekserolverdeling bestaat
  • niemand wil afwijken van de eigen omgeving en dat men afwijkende gevoelens of gedrag verbergt

Jongeren en volwassenen hanteren deze verwachtingen deels als ideaal, maar tegelijker als minimumstandaard. Dat brengt spanningen met zich mee, want het laat weinig ruimte voor eigen ontwikkeling of afwijkingen.

Afwijkingen vindt men dan snel vreemd. Vaak ontkent men afwijkingen of keurt men ze openlijk af. Bijvoorbeeld als het gaat om afwijkend rol- of seksueel gedrag. Alice Schwartzer vindt daarom dat het meer gaat over normen, dan over waarden. Zij spreekt over "de norm van heteroseksualiteit".

homoseksuele jongeren

In de adolescentie beginnen ook niet-heteroseksuele scholieren hun seksuele gevoelens te ontdekken. In de eerste jaren van het voortgezet onderwijs geeft tussen de 30% en 40% van de scholieren aan wel eens gevoelens, fantasieën of twijfels over homoseksualiteit te hebben. Het wordt hen snel duidelijk dat zulke gevoelens niet makkelijk geaccepteerd of gewaardeerd worden. Naarmate zij ouder worden, neemt dit percentages af. Rond de 18 jaar is tussen de 3 en 5% van de jongeren min of meer definitief tot de conclusie gekomen "homo" of "lesbisch" te zijn; circa 10% stelt wellicht "biseksueel" te zijn; de meeste anderen noemen zich dan "heteroseksueel". We zetten de woorden tussen aanhalingstekens omdat het maar benoemingen zijn die sterk beïnvloed worden door sociale druk en omstandigheden. In een maatschappij die homoseksuele gevoelens minder sterk veroordeelt, zou er wellicht geen sprake zijn van een "homoseksuele minderheid". Onderzoekers concluderen dat wisselende homo- en heteroseksuele gevoelens een normaal aspect zijn van de seksuele identiteitsontwikkeling.

Net als bij jongeren die later heteroseksueel blijken te zijn, gebeurt er van alles met de homo, biseksuele en lesbische jongeren in deze periode.

  • Tijdens de eerste stap, waarin heteroseksuele leeftijdsgenoten nog vooral in seksespecifieke groepen optrekken, is er nog weinig aan de hand met homoseksuele jongeren. Hun seksuele gevoelens en fantasieën zijn vaak nog weinig gedifferentieerd en de jongeren zijn er in de praktijk vaak nog niet zoveel mee bezig. De seksespecifieke groepen bieden dan een relatief veilige omgeving. Maar de ontwakende belangstelling van heteroseksuele leeftijdsgenoten voor mensen van het andere geslacht zet homoseksuele jongeren wel aan het denken. Vaak merken zij al dat deze (heteroseksuele) gevoelens niet bij hen passen. Deze realisatie kan bij hen leiden tot een zeker gevoel van vervreemding. Het kan bijvoorbeeld zijn dat zij denken "niet zoals de anderen", "niet zo sociaal vaardig" of "geen bartype " te zijn.
  • In de tweede stap worden de contacten van leeftijdsgenoten met het andere geslacht serieuzer. Een groot deel van de sociale interactie op het schoolplein, in de schoolgangen en 's avonds komt in het kader van uitdagen, versieren en uitgaan te staan. Tijdens deze stap verwacht men van de homoseksuele jongeren dat zij meegaan in het heteroseksuele dating patroon. Homoseksuele jongeren vinden dit steeds moeilijker: zij komen steeds vaker voor de keuze te staan om zich aan te passen en hun gevoelens te verloochenen, er voor uit te komen, of hun heil ergens anders te zoeken. Heteroseksuele leeftijdsgenoten keuren afwijkingen van hun ontwikkelingspatroon sterk af. Zij zijn in deze experimentele fase bezig met het zoeken naar eigen zekerheden en het voelt veiliger om "afwijkingen" zo sterk mogelijk te veroordelen.
  • In de derde stap vallen de oude seksespecifieke vriendschappen uit elkaar en ontstaan nieuwe, meer stabiele heteroseksuele relaties en netwerken rond deze relaties. Homoseksuele jongeren die er op dit moment nog niet voor uitkomen en geen eigen "homoseksueel netwerk" en goede relaties met accepterende heteroseksuelen hebben opgebouwd, komen vanaf dit moment alleen te staan. Zij zullen nu een meer definitieve keuze moeten maken voor het ontkennen van hun gevoelens, het uitkomen voor hun gevoelens, of het leiden van een dubbelleven (in het openbaar heteroseksueel, in het geheim homoseksueel).

Kortom, de adolescentie is voor homoseksuele jongeren een turbulente periode, waarin zij veel en deels andere keuzes moeten maken dan heteroseksuele leeftijdsgenoten.

onveiligheid

"Twijfelaars" en scholieren die later homo-, biseksueel of lesbisch blijken te zijn, hebben - zo blijkt uit divers onderzoek - meer dan gemiddeld last van sociale en emotionele problemen. Die ontstaan vooral door een homovijandige omgeving. Jongeren ontdekken hun homoseksuele, biseksuele of lesbische gevoelens op steeds jongere leeftijd, tegenwoordig vaak al als ze een jaar 14, 15 zijn. Toch vinden de meeste scholieren in het middelbaar onderwijs de risico's te groot om er voor uit te komen. Nederlandse cijfers over gevoelens van onveiligheid komen bijvoorbeeld uit een onderzoek dat het homojongerenblad Expreszo begin 2001 deed via zijn website. Daarin zei 35% van de homojongeren dat zij zich als homo zelden of nooit veilig voelden op school. In een grootschalig en representatief onderzoek van het ITS naar veiligheid op scholen werd dezelfde vraag (in het algemeen) gesteld aan scholieren in het algemeen. Van hen zei slechts 6% zich zelden of nooit veilig te voelen op school. Van de Expreszolezers zei 50% dat de schoolleiding zelden of nooit helpt als je om hulp vraagt rond homoseksualiteit. In het ITS onderzoek zei 29% dat de schoolleiding zelden of nooit helpt als je om hulp vraagt. Verder dacht 60% van de Expreszolezers dat de schoolleiding zelden of nooit tegen homovijandig geweld optreedt. Uit het ITS onderzoek blijkt dat '" slechts" 33% van de leerlingen denkt dat de schoolleiding zelden of nooit optreedt tegen geweld.

De cijfers uit het Expreszo onderzoek zijn niet representatief, we weten dus niet exact hoe onveilig homoseksuele jongeren zich voelen. Omdat het homojongerenblad Expreszo vooral jongeren trekt die er al enigszins voor uitkomen, kunnen we overigens veronderstellen dat deze gegevens nog relatief positief zijn. Maar ook zonder exacte cijfers merken veel docenten wel dat veel homoscholieren het niet gemakkelijk hebben op school.

psychosociale problematiek

Anne Kersten heeft in 1994 heteroseksuele, homoseksuele en lesbische middelbare scholieren statistisch onderzocht op het voorkomen van psychosociale problemen. Daaruit blijkt dat homo- en lesbische scholieren systematisch meer psychosomatische klachten rapporteren. Dat gaat niet alleen op voor de homoseksuele en lesbische scholieren die er reeds voor uitkomen, maar ook voor de veel grotere groep van 40% van de scholieren die in haar enquête aangaf op een andere manier over de eigen seksuele voorkeur na te denken.

De onveilige schoolsituatie is niet de enige oorzaak van de problemen van lesbische en homoseksuele scholieren. Wel blijkt dat de schoolsituatie belemmerend werkt bij het in het reine komen met de eigen gevoelens en met het vinden van een uiting daarvoor.

2. signalering van homospecifieke problematiek

Veel leerlingenbegeleiders vragen welke problemen homo- en lesbische leerlingen hebben en hoe zij hen kunnen herkennen. Uit het onderzoek van Anne Kersten blijkt dat zij heel uiteenlopend omgaan met hun gevoelens en met discriminatie. Sommigen ervaren geen problemen of gaan soms zelf overpresteren, anderen krijgen last van slechte prestaties, gedragsproblemen, angst voor afwijzing, isolement of depressie. In dit deel gaan we nader in op de zelfbeleving van homoseksuele scholieren, op hun beleving van de schoolomgeving en op hun beleving van psychosociale problemen. Aan het eind van dit deel gaan we in op de manier waarop leerlingenbegeleiders de problematiek waarnemen.

zelfbeleving

Homoseksuele lesbische scholieren voelen zich over het algemeen anders dan leeftijdsgenoten. Zij hebben vaak minder interesse in onderwerpen waar seksegenoten zich mee bezighouden. Met name jongens voelen zich - vaak al vóór zij hun homoseksuele gevoelens als zodanig benoemen - niet thuis bij het stoere gedrag van andere jongens. De homoseksuele jongens doen vaak niet mee aan het praten over meisjes. Ook lesbische meiden zijn vaak niet betrokken bij gesprekken over de heteroseksuele verliefdheden van andere meisjes.

Homoseksuele meisjes en jongens zien zichzelf niet alleen als anders, maar denken ook dat klasgenoten hen anders zien. De jongens zijn vaak bang dat anderen kunnen merken dat zij homoseksueel zijn.

Met hun duidelijk andere belangstelling positioneren de homo- en lesbische scholieren zich vaak als "alto's" (alternatieve types). Vaak nemen zulke homoseksuele, biseksuele of lesbische scholieren deel aan kleine "alto" subgroepjes, waarin men meer geïnteresseerd is in maatschappelijke onderwerpen. De leden van zulke subgroepjes en dus ook de potentiële homoseksuele, biseksuele of lesbische scholieren, zijn vaker dan gemiddeld op school politiek actief. Zowel jongens als meisjes plaatsen zich op deze manier buiten de groep, maar ze ontlenen er ook een bijzondere positie aan waarmee ze zich beter kunnen handhaven.

beleving van de schoolomgeving

Noch de homoseksuele jongens, noch de lesbische meisjes verwachten onder klasgenoten een klimaat waarin men zonder negatieve gevolgen openlijk over homoseksualiteit kan spreken. In de praktijk betekent dit meestal dat zij hierover zwijgen. Wel zijn zij erop gespitst te horen hoe men er in de klas over denkt. Als er aandacht is voor homoseksualiteit in lessen of op de gang gebeurt, is dat meestal in een denigrerende en lacherige sfeer. Homoseksuele leerlingen ervaren de afwezigheid van homoseksualiteit in het lesmateriaal als een gemis. Het belemmert volgens de homojongeren hun proces van herkenning en betekenisgeving aan hun gevoelens.

Homoseksuele jongens en lesbische meisjes kennen vaak wel een of meer leraren of leraressen waarvan zij weten of vermoeden dat zij homoseksueel of lesbisch zijn. Maar dit levert voor hen niet altijd positieve voorbeelden op. Soms vindt men een leerkracht te nichterig, of confronteren sommige leraren de jongeren met een aspect van homoseksualiteit waar ze juist moeite mee hebben. De leraren of leraressen die niet "sterk" overkomen op de homoseksuele jongeren vinden zij "triest". Daarnaast zien homojongeren natuurlijk ook hoe homoseksuele lesbische docenten soms geïntimideerd worden.

Homoseksuele en lesbische scholieren kennen slechts in enkele gevallen andere homoseksuele of lesbische scholieren. Ook dat geeft hen het gevoel eenzaam en alleen op school zijn.

beleving van psychosociale problemen

Uit de gesprekken van Anne Kersten met homoseksuele en lesbische leerlingen blijkt dat zij een complex van problemen ervaren. Het verwerven van een lesbische of homoseksuele identiteit is daarbij een van de belangrijkste. Een wezenlijk onderdeel van de lesbische of homoseksuele ontwikkeling lijkt te zijn dat men buiten de groep komt te staan. Soms vinden zij daarbij aansluiting met een andere "outcast".

Fysiek contact met seksegenoten krijgt een extra lading en sociale contacten met seksegenoten worden ingewikkelder, vooral als anderen "het" weten. Homoseksuele en lesbische scholieren weten zich vaak geen raad hun gevoelens van aantrekking en verliefdheid. Daarbij vormen onder meer schaamtegevoelens en de veronderstelde negatieve houding van medescholieren barrières om het isolement te doorbreken. Gebrek aan herkenning bij iemand die dezelfde situatie zit, veroorzaakt eenzaamheid.

Het uiten van gevoelens van eenzaamheid en onzekerheid maakt soms impliciet een deel uit van het eigen gedrag. Sommige scholieren willen gedurende bepaalde periode of in bepaalde omgeving op geen enkele manier nog iets prijsgeven van hun persoonlijke leven. Voor een deel heeft dat te maken met onzekerheid over wat men eigenlijk voelt. Om onzekerheid te voorkomen, vermijden homo- en lesbische scholieren soms sociale situaties. Het voortdurend gepieker brengt voor sommige scholieren slapeloosheid en andere lichamelijke klachten met zich mee. De kans is dan groot dat schoolprestaties daaronder gaan lijden.

Anne Kersten vermoedt dat zelfdoding een onderwerp is waar homoseksuele en lesbische scholieren veel vaker dan heteroseksuele scholieren mee bezig zijn. Dit blijkt in elk geval ook uit onderzoek naar homoseksuele en lesbische scholieren in andere landen waaronder in Vlaanderen. In Nederland kunnen we dit niet controleren, omdat hier redenen van zelfdoding niet worden geregistreerd en omdat in onderzoek naar heteroseksuele en homo/lesbische scholieren nooit een vergelijkende vraag is gesteld over zelfdoding.

Duidelijkheid krijgen over de eigen gevoelens en het kunnen terugvinden van zelfrespect kost veel energie. Het maken van een uiteindelijke keuze geeft opluchting, maar brengt de scholier nog geen rust. Ook het zoeken naar manieren om een homo- of lesbische relatie aan te gaan en om vorm te geven aan verhoudingen met ouders en leeftijdsgenoten kunnen tot problemen leiden. Uit de gesprekken die Anne Kersten had met ex-leerlingen blijkt ook dat na de middelbare schooltijd problemen rond homoseksualiteit blijven voortbestaan.

De negatieve bejegening van homo- en lesbische scholieren op school heeft serieuze consequenties. Het leidt ertoe dat scholieren zich geregeld bedreigd voelen en depressief worden. Homo- en lesbische scholieren anticiperen vaak op negatieve reacties, maar niet altijd terecht. Reacties vallen achteraf soms mee.

beleving door leerlingbegeleiders

Leerlingenbegeleiders realiseren zich vaak wel dat het proces van ontdekken van homoseksuele of lesbische gevoelens voor scholieren moeilijk kan zijn, maar ze merken ook op dat het voor hen een onzichtbaar proces is. Als zij homoseksuele of lesbische scholieren opmerken, gaat vaak om jongens. In zulke gevallen zien zij dat jongens buiten de groep staan of qua gedrag afwijken. Lesbische meisjes kent men vaak niet. Als men meisjes of lesbisch herkent, is het vaak omdat het meisje het zelf kenbaar heeft gemaakt.

Een van de gevolgen van deze relatieve onzichtbaarheid is dat maar weinig lesbische of homoseksuele jongeren hulp krijgen en dan vrijwel alleen op initiatief van de jongeren zelf. Voor beide partijen (leerling en begeleider) is een gesprek moeilijk. Als het tot een gesprek komt, blijken problemen vaak al langere tijd te spelen.

Het aankaarten van problemen gebeurt vaak indirect. Homoseksualiteit komt dan aan de orde in de context van een andere problematiek, zoals studieproblemen, gedragsproblemen en psychosociale problemen. De scholieren komen dan eerst met algemene psychosociale problemen, zoals angst, isolement, depressie, schaamte en vage schuldgevoelens.

In workshops over homospecifieke leerlingenbegeleiding vragen leerlingenbegeleiders vaak hoe zij homospecifieke problemen kunnen herkennen. We zouden daarop uitgebreid kunnen antwoorden met een reeks aan mogelijk typerende verschijnselen en gedragingen, zoals teruggetrokkenheid, overmatige agressiviteit, ultraconformistisch gedrag of juist sterk onaangepast gedrag enzovoorts. Maar in de praktijk kunt u homo- en lesbische scholieren pas definitief herkennen als zij u of anderen deelgenoot maken van hun gevoelens. Een lijst met specifieke aandachtspunten zou gebaseerd zijn op stereotyperingen en problemen, die op zich niets met een homoseksuele voorkeur te maken hoeven te hebben. Als u scholieren ziet die minder presteren of andere problemen hebben, is dat een aanleiding om eens met ze te praten. Daarbij kunt u een open oog hebben voor hun zorgen rond discriminatie en hun seksuele gevoelens.

3. praktische suggesties voor de begeleiding

De praktische suggesties die wij willen meegeven, hebben betrekking op zes terreinen: het vergroten van uw toegankelijkheid voor homo- en lesbische scholieren, specifieke aandachtspunten in counselinggesprekken, het scholieren helpen aan contacten met leeftijdsgenoten met dezelfde gevoelens, het omgaan met de ouders, het ondersteunen van openheid op school en hoe u kunt omgaan met "gecompliceerde" coming-out problematiek.

toegankelijkheid

Het is voor homoseksuele en lesbische scholieren niet vanzelfsprekend dat vertrouwenspersonen, mentoren of leerlingenbegeleiders openstaan voor homoseksualiteit. Over het algemeen maken zij immers mee dat leeftijdsgenoten en volwassenen nooit over homoseksualiteit praten of er negatief of bagatelliserend men omgaan. De school zou daarom zichtbaar moeten maken dat zij openstaat voor vragen van biseksuele, homoseksuele en lesbische scholieren. Dat kan men doen door een poster op te hangen of folders neer te leggen die duidelijk maken dat homoseksualiteit bespreekbaar is. Men kan het ook in de schoolgids vermelden. Als men dergelijke signalen niet geeft, gaan tieners er voetstoots van uit dat men homoseksualiteit niet serieus zal nemen.

Ook in de spreekkamer van de leerlingbegeleider kunnen allerlei signalen opduiken die homoseksuele of lesbische tieners aangeven dat u al dan niet voor hun problemen openstaat. Denk er eens over na wat een traditionele foto van uw echtgeno(o)t(e) en kind op uw bureau doet met de gevoelens van een homo- of lesbische scholier. Op zich zegt dat niets over uw houding ten opzichte van homoseksualiteit, maar het positioneert u wel als iemand die zich als hetero mogelijk niet kan inleven in zijn of haar situatie. Ook hier zijn signalen van een open houding en bespreekbaarheid zinvol, bijvoorbeeld door folders of een poster. Het hoeven niet altijd posters of folders te zijn die specifiek over homoseksualiteit gaan. Als de aankleding van uw school of uw spreekkamer uitstraalt dat u kunt omgaan met diversiteit, kan dat ook waardevol zijn.

Let er wel op dat u "diversiteit" in de beeldvorming niet uitsluitend neerzet als culturele of etnische diversiteit. Met name in een zogenaamde zwarte school kan het voorkomen dat respect voor etnische diversiteit en multiculturaliteit juist beperkend overkomt op homoseksuelen. Respect jegens andere culturen gaat helaas nog vaak gepaard met een aarzelende houding rond openlijke homoseksualiteit. Naast signalen van bespreekbaarheid van homoseksualiteit zullen docenten en met name leerlingenbegeleiders vragen en zinspelingen serieus moeten nemen. Dat betekent natuurlijk ook dat u er zelf geen moeite mee moet hebben. Veel begeleiders, of het nu professionele psychologen, maatschappelijk werkers of leerlingenbegeleiders zijn, vinden het moeilijk om expliciet over homoseksualiteit te spreken. Een van de grootste aarzelingen is of men een leerling of een docent rechtstreeks kan vragen of hij of zij homoseksueel of lesbisch is. Dit - in tegenstelling tot de vraag aan heteroseksuelen of men of een vriend(in) heeft of getrouwd is - ervaart men vaak als een inbreuk op de privacy. Deze schroom om echt vanzelfsprekend met homoseksuele voorkeur om te gaan, zal men tot op zekere hoogte moeten overwinnen. Het is dus nuttig dat docenten zich afvragen hoe zij zelf staan ten opzichte van homoseksualiteit.

Als men zelf moeite heeft met homoseksualiteit of met het open bespreken ervan, zal het moeilijk zijn scholieren met zulke gevoelens te ondersteunen.

Hierover kan men in een docententeam afspraken maken. Soms spreekt men af de begeleiding van homoseksuele leerlingen door een homoseksuele of lesbische collega te laten doen. Dat kan een meerwaarde hebben, maar wij bevelen aan dit werk niet volledig "af te schuiven" op eventuele homo- of lesbische docenten op uw school. Hoewel het kan overkomen als een vorm van waardering, is het ook een extra belasting voor hen. Bovendien kan het ertoe leiden dat niet alleen de klus, maar ook de schoolverantwoordelijkheid voor homo- en lesbische scholieren teveel bij één persoon terechtkomt. Maak dus in het geval van een dergelijke afspraak altijd duidelijk onderscheid tussen de verantwoordelijkheid voor deze taak (blijft bij de school) en de taak zelf (tot nader order bij de homoseksuele collega).

counseling

Om homo- en lesbische leerlingen te kunnen ondersteunen, moeten zij zelf de eerste stap nemen om hun gevoelens als homoseksueel, biseksueel of lesbisch te benoemen. Vaak zullen homoseksuele, biseksuele of lesbische leerlingen ook enige of zelfs grote moeite hebben met het uitspreken van het woord homoseksualiteit of om er expliciet over te praten. Om met u in contact te komen over dit onderwerp, zullen zij het vaak via een omweg bespreekbaar proberen te maken.

Binnen een gesprek is het van belang om ruimte te geven aan de gevoelens van de leerlingen. Dit kunnen reeds hele duidelijke gevoelens zijn, maar kan ook zijn dat de leerling tal van tegenstrijdige gevoelens ervaart. Zo kunt u de vraag verwachten wanneer de leerling "zeker" kan zijn dat hij of zijn "homo" is. Het is van belang om daarbij niet snel in een oordeel of advies te vervallen.

Het is van belang om samen met de jongere te zoeken naar hoe hij of zij zijn of haar gevoelens kan plaatsen en welke oplossingen voor mogelijke problemen het best passen bij zijn of haar situatie. Daarbij staat de inschatting van de jongeren centraal. Stel behulpzame vragen, maar stuur de jongere niet teveel. Zo kunt u bij de vraag om zekerheid over het "homo" zijn, vragen naar verlangens, tot wie zij zichzelf aangetrokken voelen en op welke manier en naar erotische fantasieën. Vaak staat angst voor afwijzing het toelaten van zulke gevoelens in de weg. Ga dan na waar de jongere bang voor is.

Het is zaak om de inschatting van de jongeren niet klakkeloos over te nemen. Het komt bijvoorbeeld vaak voor dat de jongere zodanig bevreesd is voor reacties uit de omgeving, dat zij zich verlamd en zich niet in staat voelen om iets aan de situatie te veranderen. Vaak zijn zulke angsten overmatig en onnodig. In zo'n geval kan de begeleider samen met de jongere zoeken naar manieren om op een veilige manier uit te testen hoe veilig of onveilig de situatie werkelijk is. Dat kan lastig zijn. Zolang ouders of medeleerlingen niet weten dat hun zoon, dochter of vriend homoseksueel is, kunnen zij ongenuanceerd negatief reageren, terwijl het wel eens anders zou kunnen liggen als het om iemand gaat die zij goed kennen. Aan de andere kant kan de reactie ook veel negatiever uitvallen dan men verwacht. Dat geldt met name bij streng gelovigen of bij mensen met een cultureel sterk traditionele achtergrond. Het is dus zaak hier zeer zorgvuldig met om te gaan.

Het is niet alleen van belang om te kijken naar de eigen beleving en gevoelens van de jongeren, maar ook serieus te kijken naar het "sociale systeem" waarbinnen de jongere functioneert. We denken daarbij aan ouders, de familie en de vriendenkring. Voor een deel kan dit systeem belemmerend zijn voor het uiten van de gevoelens door de jongeren, maar anderzijds is een sociaal systeem ook van belang voor de ondersteuning. Bij jongere leerlingen speelt daarbij zowel de formele als de sociale afhankelijkheid, bij oudere leerlingen zijn er meer mogelijkheden om naast het "heteroseksuele" systeem en aanvullend "homoseksueel" sociaal systeem te helpen opbouwen (homoseksuele, biseksuele of lesbische vrienden en kennissen waarmee men ervaringen kan delen en waar de jongere ondersteuning kan vinden).
Tenslotte is het natuurlijk van belang om na te gaan in hoeverre de vragen en gevoelens die de scholier heeft over homoseksualiteit een belemmering vormen voor zijn of haar functioneren op school. Deels zal de counselor hierbij moeten kijken naar hoe de scholier met zijn of haar gevoelens kan omgaan, zodat er meer ruimte komt voor het schoolwerk, deels zou de counselor kunnen nadenken over hoe de school hierin, naast counseling, ondersteuning zou kunnen bieden.

ontmoeting

Veel scholieren zullen kampen met de vraag waar zij homoseksuele en lesbische gevoelsgenoten kunnen ontmoeten. Voor de wat oudere scholieren vanaf circa 17 à 18 jaar is een verwijzing naar het COC of De Kringen op zijn plaats. Zulke zelfhulpgroepen laten echter vaak geen tieners onder 16 toe. Zij vrezen dat het contact tussen tieners en iets oudere leden van de groep leidt tot ongewenste intimiteiten of beschuldigingen van misbruik.

Voor jongere homoseksuele scholieren bestaan anno 2002 nog geen georganiseerde ontmoetinggelegenheden. Zij zullen via informele kanalen hun weg moeten vinden.

Deze informele contacten zijn voor hen het best te vinden via de website van het homojongerenblad Expreszo (www.expreszo.nl). Daar kan men ook chatten en advertenties plaatsen. Correspondentie en ontmoetingen via deze site zijn veiliger dan het contact zoeken via de vele homoseksuele pornosites. Lesbische meiden kunnen daarnaast ook terecht bij de site van het blad "Zij aan zij" (www.zijaanzij.nl) en www.letsbeopen.com van de Big Brother winnares Bianca.

Mentoren en leerlingenbegeleiders zullen erover moeten nadenken in hoeverre zij leerlingen deel ondersteunen bij het hun weg vinden in de homowereld. Vooral bij minderjarige jongeren kan het een probleem zijn om alleen op zoek te gaan naar een geschikte homogelegenheid. Het komt soms voor dat een leerlingbegeleider een avond meegaat met een dergelijke leerling, naar bijvoorbeeld een COC dansavond. Andere leerlingenbegeleiders zullen een dergelijke dienstverlening onacceptabel vinden of te risicovol voor hun eigen positie als docent. Dit laatste kan met name ook spelen als de ouders (nog) niet zijn ingelicht.

omgaan met ouders

Ouders kunnen zeer uiteenlopend met de homoseksuele gevoelens van hun kinderen omgaan. In een onderzoek onder ouders van homoseksuele kinderen vond men drie soorten ouders: de afwijzers, de verwerkers en accepteerders.

De accepteerders hadden vaak als reactie dat zij de coming-out van hun zoon of dochter al hadden zien aankomen. Voor hen vormt de keuze van hun zoon of dochter niet een echt probleem. De verwerkers hebben wel een probleem met homoseksuele gevoelens van hun zoon of dochter. Zij zagen deze ontwikkeling niet echt aankomen en hebben vaak weinig informatie over homoseksualiteit of homoseksuele leefstijlen. In eerste instantie reageren deze ouders vaak geshockeerd door de coming-out van hun kind. Zij vragen zij zich vaak af of zij iets "fout" hebben gedaan in de opvoeding (met name Nederlandse ouders) of dat hun zoon of dochter is verleid (met name ouders van niet-Nederlandse afkomst). Na deze eerste twijfels ontstaat vaak een nieuwe serie vragen over de mogelijke problemen die hun kind zal tegenkomen, zoals afwijzing, discriminatie, misbruik in de homosubcultuur en geslachtsziekten. Deze twijfels en vragen gaan voor een belangrijk deel terug op een gebrek aan informatie over homoseksualiteit en op de maatschappelijk afwijzing van homoseksualiteit die zij ook vaak geïnternaliseerd hebben.

De afwijzers hebben grote moeite met de homoseksuele of lesbische voorkeur van hun kind en kunnen dit niet accepteren. Vaak hebben deze ouders een traditionele culturele of religieuze achtergrond die homoseksualiteit sterk afwijst. Daarnaast verkeren zij vaak in een sociaal milieu waarin homoseksualiteit niet acceptabel is. Hun reactie op de coming-out van hun kind beperkt zich vaak tot het aantonen waarom homoseksualiteit niet acceptabel is. De afwijzers concentreren zich op adviezen aan hun zoon of dochter om van hun homoseksuele gevoelens af te komen (door therapie of gebed), om de gevoelens te ontkennen of ze tenminste verborgen te houden. Als hun kind niet aan deze adviezen tegemoetkomt, blijft er niets anders over dan de hele zaak in de doofpot te stoppen of het kind te verstoten. In sommige culturen is homoseksualiteit een zodanige schande voor de familie, dat een kind dat openlijk voor zijn of haar homoseksualiteit uit dreigt te komen met de dood bedreigd wordt.

De categorieën afwijzers, verwerkers en accepteerders zijn niet statisch. Het komt geregeld voor dat afwijzers veranderen in verwerkers en dat verwerkers accepteerders worden. Dit zij echter processen die tijd en ondersteuning kosten. Tijd en ondersteuning die het kind zelf vaak niet voorhanden heeft of bereid is te geven en waarin ook de school keuzes moet maken.

Vaak hebben jongeren al een lange tijd achter de rug waarin zij met hun eigen gevoelens geworsteld hebben. Het kan zijn dat zij zo blij zijn eindelijk een keuze te hebben gemaakt, dat zij ook van de rest van de wereld eisen hen nu daar onmiddellijk in te ondersteunen. Voor ouders die nog aan het begin van een verwerkingsproces staan, is dat een moeilijke situatie. Gelukkig is er een organisatie van ouders van homoseksuele kinderen waar zij ondersteuning kunnen vinden. Deze organisatie, de SLOW (Stichting Landelijk Overleg Werkgroepen Ouders van Homoseksuele Kinderen) heeft een informatiepakket beschikbaar en is telefonisch bereikbaar via Korrelatie (030-233 13 35). SLOW krijgt ook steeds meer ervaring met de begeleiding van allochtone ouders. Voor islamitische ouders die grote problemen hebben met de homoseksualiteit hun kinderen kan men eventueel ook doorverwijzen aan Stichting Yoesuf, die zich specifiek bezighoudt met islam en homoseksualiteit.

Het al dan niet betrekken van ouders kan een flink dilemma vormen voor de school. In veel gevallen is de leerling er in het begin van de begeleiding nog niet aan toe om de ouders in te lichten. Het buiten medeweten of zonder toestemming van de leerling om, toch inlichten van de ouders kan desastreuze gevolgen hebben. Maar het ondersteunen van de gevoelens van homoseksuele of lesbische leerling zonder daarin de ouders te kennen, kan ook negatieve reacties oproepen. Wij kunnen hiervoor geen eenduidige adviezen geven. Naar onze mening is het vooral belangrijk dat u de wil van de homoseksuele, biseksuele of lesbische leerling respecteert. De enige uitzondering die er op die regel zou moeten zijn, is - net als bij seksuele intimidatie - als de jongere misbruikt wordt.

openheid op school

Ook bij de keuze of de leerling open zal zijn over zijn of haar homoseksuele gevoelens op school zelf, staat natuurlijk de keuze van de jongere centraal. In dit geval is het wel van belang dat de vertegenwoordigers van de school samen met de betreffende leerling(en) nagaat welke de voorwaarden zijn waaronder zij er meer openlijk op school voor uit kunnen komen. Als een leerling besluit er openlijk voor uit te gaan komen, zullen docenten en directie duidelijk voor ogen moeten hebben hoe zij zullen omgaan met de bescherming van deze leerling. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar het is geen overbodige luxe om dit te vermelden. Veel scholen grijpen in het geheel niet in bij homoseksuele intimidatie in gangen of in klassen. Zoals wij reeds meldden, heeft meer dan de helft van homoseksuele scholieren niet het idee dat de schoolleiding open staat voor hulpvragen op dit punt. Het komt ook vaak voor dat docenten of schoolleiders homoseksuele intimidatie wijten aan het slachtoffer zelf, bijvoorbeeld als deze zich "te afwijkend" gedraagt van de groep. Het is van belang dat de school duidelijk heeft hoe men zal omgaan met eventuele conflicten en met diverse vormen van pesten, bedreiging en intimidatie. Counselors kunnen deze vormen van ondersteuning en aanpak met de leerling doornemen en zich zowel bij de betreffende leerling als bij de schoolleiding ervan vergewissen wat zal gebeuren bij eventuele incidenten.

In overleg met de betreffende leerling(en) kan het ook goed zijn om in de preventieve sfeer iets te doen aan het schoolklimaat. Dat kan met name door zichtbaarheid, door vanzelfsprekende vormen van voorlichting en door goede afspraken over orde en discipline. Als men overweegt om externe voorlichters in te schakelen, is het goed daarover met de leerling(en) of met homoseksuele docenten te overleggen.

Homoseksuelen hebben uiteenlopende opvattingen over homoseksualiteit en homoseksuele leerlingen kunnen zich daarin kwetsbaar voelen. Het kan zijn dat een COC voorlichting niet aansluit op de wensen en positie van homoseksuele leerlingen en docenten.

gecompliceerde coming-out problematiek

Tot nu toe hebben wij gesproken over zogenaamde "ongecompliceerde" coming-out problematiek. Daarmee bedoelen mogelijke problemen waarmee homoseksuelen over het algemeen kampen als zij voor homoseksualiteit uit willen komen. Ongecompliceerde problematiek kenmerkt zich door het feit dat het in het licht van discriminatie niet vanzelfsprekend is om ervoor uit te komen en dat men daarvoor een periode van nadenken en uitproberen nodig heeft. Hoewel dit een vervelend verschijnsel is voor homoseksuelen, zijn deze soort problemen op zich niet van dien aard dat homoseksuelen er professionele begeleiding voor nodig hebben.

Naast de "ongecompliceerde" problematiek kan het echter zijn dat homoseksuelen te maken krijgen met "gecompliceerde" de coming-out problematiek. Dan gaat het over combinatie van "normale" problematiek met zwaardere problematiek die het dagelijks definiëren van de jongeren vrijwel onmogelijk maakt of ernstig compliceert. We denken dan aan zwaardere psychische problemen, zoals depressie of neigingen tot zelfdoding, aan alcoholmisbruik of verslaving, of aan problemen rond seksualiteit zoals seksueel misbruik, prostitutie en aids.

Dit soort problemen kan niet worden opgelost door een leerlingenbegeleider. Het is dan van belang dat de begeleider een sociale kaart heeft van plaatsen waar de leerling goed kan worden geholpen. Het is onvoldoende een jongere klakkeloos door te verwijzen naar bijvoorbeeld een plaatselijk RIAGG of de verslavingszorg. Zeker als het gaat om problemen waarin homoseksualiteit is verweven met andere problematiek, loopt u het risico dat de jongere terechtkomt bij een hulpverlener die niets weet van homoseksualiteit, waardoor de jongere van de wal in de sloot geholpen wordt. Over het algemeen kunt u bij een lokaal COC, of via de landelijke helpdesk van de Schorerstichting (020-662 42 06) komen aan adressen van hulpverleners die meer ervaring hebben met homospecifieke problemen.

Tot slot is een waarschuwing op zijn plaats. Men moet niet al te snel problemen die te maken hebben met homoseksualiteit benoemen als "gecompliceerde problematiek". Gecompliceerde problemen moet men doorverwijzen als zij het dagelijks functioneren van de jongere sterk belemmeren. In andere situaties kan het stigmatiserend en belastend werken om de homoseksuele jongeren direct door te verwijzen naar professionele hulpverlening.

4. veel voorkomende valkuilen

We willen dit artikel afsluiten met een viertal valkuilen, waarvan wij weten dat leerlingbegeleiders er regelmatig in vallen. De belangrijkste daarvan zijn een gebrek aan toegankelijkheid, het bagatelliseren van homoseksuele gevoelens, het teveel meegaan in de vrees voor consequenties van de coming-out of juist overmatig optimisme over de acceptatie van homoseksualiteit in de sociale omgeving.

gebrek aan toegankelijkheid

Er zijn steeds meer leerlingenbegeleiders die oog krijgen voor homospecifieke problemen. Ze laten zich bijscholen en lezen het een en ander over homoseksuele identiteitsontwikkeling. Desondanks krijgen zij geen of weinig vragen van homoseksuele of lesbische leerlingen. Over het algemeen komt dit omdat het voor homoseksuele leerlingen niet duidelijk is dat zij bij leerlingenbegeleiders terechtkunnen.

Vaak ziet men dit binnen een schoolklimaat, waarin het niet vanzelfsprekend is om homoseksualiteit aan de orde te stellen en waarin het spreken over homoseksualiteit gezien wordt als een hoogstpersoonlijk thema. De oplossing van deze valkuil heeft met name in het zichtbaar maken van de acceptatie en bespreekbaarheid van homoseksualiteit op school. Dat is overigens iets wat de leerlingenbegeleider over het algemeen niet in zijn of eentje kan verbeteren.

homoseksuele gevoelens bagatelliseren

Het komt nog steeds voor dat volwassenen tegen homo- of lesbische jongeren zeggen dat homoseksuele gevoelens slechts een fase vormen, die wel weer voorbij zal gaan. Voor een deel is dat misschien wel waar, maar dergelijke uitspraak getuigt niet van veel respect voor de gevoelens van de betreffende leerlingen. Men zegt immers ook niet tegen een heteroseksuele leerling dat zijn of haar heftige heteroseksuele gevoelens misschien van voorbijgaande aard zijn.

Het kan ook zijn dat de begeleider een leerling die onzeker is over zijn of haar gevoelens wil ondersteunen door te stellen dat men zich niet in een hokje moet laten stoppen: wat maakt het uit of je je "homo" noemt of niet? Ook dit klopt theoretisch misschien wel, maar de leerling heeft vaak weinig aan zo'n advies. Veel jongeren zijn onzeker en zoeken naar duidelijke antwoorden zodat zij zich meer zeker voelen. Voor hen maakt een benoeming op dat moment juist heel veel uit. Het is voor de begeleider een kunst om aan de ene kant de leerling zijn of haar gevoelens te accepteren zoals die zijn en deze te ondersteunen. Aan de andere kant moet men hem of haar de ruimte geven om van gedachten te veranderen.

teveel meegaan in de vrees

Sommige begeleiders zijn zo empatisch met de leerling dat hij of zij geheel meegaat in de vrees die jongeren kunnen hebben om ervoor uit te komen. Jongeren (en overigens ook homoseksuele volwassenen) kunnen irrationeel bang zijn voor de gevolgen van een coming-out. Dit geldt vooral als zij zich niet kunnen voorstellen hoe anderen daarop zullen reageren. In zulke gevallen is het van belang om samen met de leerling na te gaan hoe specifieke mensen op een coming-out zouden reageren. Een dergelijk gesprek kan al veel oplossen. Maar als ook dat niet helpt om overdreven angst weg te nemen, kan men proberen er in werkelijkheid achter te komen hoe mensen zullen reageren, bijvoorbeeld door hen op subtiele wijze vragen te stellen, publicaties te laten slingeren, naar bepaalde televisieprogramma kijken, of door bevriende kennissen het onderwerp aan te laten roeren.

overmatig optimisme over acceptatie

Daarentegen kan het ook zo zijn dat begeleiders overmatig optimistisch zijn over de mogelijkheden van acceptatie van homoseksualiteit en in hun reactie naar de leerling, te weinig aandacht hebben voor de werkelijke risico's. Begeleiders die dit vinden, zijn vaak zelf erg progressief en menen dat hun omgeving er ook zo over denkt. Zij denken: "er is nu toch een homohuwelijk, op onze school heerst een veilig klimaat, ik zie niet welke problemen zouden kunnen optreden". Het kan dan zijn dat zij komen met het advies om "er niet zo moeilijk over te doen" of dat zij direct de ouders willen betrekken.

Een dergelijke reactie is overhaast, ten eerste omdat er te weinig rekening wordt gehouden met de gevoelens van de betrokken jongere - zelfs al zijn die irrationeel - en ten tweede omdat in de praktijk de acceptatie blijkt tegen te vallen. Met name in progressieve kringen kan het zijn dat "men" vindt dat homoseksualiteit geaccepteerd zou moeten worden, maar dat deze "tolerantie" een dun fineer blijkt op het moment dat het echt dichtbij komt. Zoals wanneer blijkt dat je eigen kind homo of lesbisch is, of dat je eigen medeleerling die in de klas altijd naast je zit homo of lesbisch is. Dit geldt vooral voor situaties waarin de leerling niet-stereotiep heteroseksueel gedrag vertoont, of als een conflict optreedt en als medeleerlingen of docenten hun nek moeten uitsteken om de homoseksuele of lesbische leerling te beschermen.

Peter Dankmeijer

Tolerante Scholen Net, 30 december 2003