downloads

Als ze er maar niet mee te koop lopen: LHBT in Oss 2017

In maart presenteerde de gemeente Oss een onderzoek naar de veiligheid van de LHBT in haar gemeente. In het rapport staat ook uitgebreid hoofdstuk over onderwijs. Slechts 28% van de LHBT leerlingen voelt zich altijd veilig op school en iets minder zou er op school voor uit kunnen komen. De aanbevelingen uit het rapport gaan bijna allemaal over (meer) voorlichting. EduDivers is sceptisch of zulke aanbevelingen zouden een dijk zullen zetten.

relatieve veiligheid

De onderzoeker Boris van Arnhem zegt dat LHB-jongeren zich minder vaak veilig te voelen dan hetero jongeren. Van de LHB-jongeren geeft 28% aan zich altijd veilig te voelen. Onder heteroseksuele jongen is dit ruim de helft (57%). LHB-jongeren voelen zich minder vaak geac¬cepteerd dan heteroseksuele jongeren. Ongeveer een derde van de LHB-jonge¬ren voelt zich door alle klasgenoten geaccep¬teerd. Bij heteroseksuele jongeren voelt 65% zich volledig geaccepteerd.
Ongeveer een kwart van de jongeren zou het aan zijn/haar klasgenoten durven te vertel¬len als hij of zij lesbisch, homoseksueel of biseksueel (LHB) zou zijn. Dat¬zelfde geldt bij het vertellen aan een leraar. Jongeren durven wel vaker aan een leraar te vertellen als ze LHB zouden zijn dan aan hun klasgenoten (41% versus 26%). Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met dat jongeren verwachten dat leraren vaker positief zouden reageren op een coming-out dan hun klasge¬noten. Een op vijf jongeren denkt dat hun klasgeno¬ten positief zouden reageren als een klasge¬noot vertelt dat hij/zij lesbisch, homoseksueel of biseksueel is. Van leraren denkt 3 op 5 jongeren dat zij positief zullen reageren. Meisjes denken vaker dat hun klasge¬noten en leraren positief reageren op een coming-out dan jongens. Of een leraar met een niet-heteroseksuele ori¬ëntatie dit aan de leerlingen moet vertellen zijn de meningen verdeeld. Ruim een derde van de jongeren denkt dat een leraar dat beter niet voor zich kan houden. Aan de andere kant zegt bijna 1 op 5 juist van wel. Jongens vinden vaker dan meisjes dat een leraar het beter voor zich kan houden.

homo als scheldwoord

Volgens de onderzoeker hoort "plagen hoort bij het leven". In het rapport wordt uitgebreid aandacht besteed aan homoschelden, en gesignaleerd dat hetero jongens dit zien als onschuldig plagen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de volgende opmerkingen van jongeren:

  • “Mietje en homo worden als grapje bedoeld en meestal niet als scheldwoord.”
  • “Is als grap bedoeld, moet je niet persoonlijk opvatten.”
  • “Heel veel mensen zien het woord mietje niet als een scheldwoord, maar plagen mensen er alleen maar mee. - - Wij bedoelen er meestal geen homo mee, maar watje. ik denk niet dat veel mensen mietje associëren met homo.”
  • “Wat heeft mietje nou met homo’s te maken? Het zijn watjes.”
  • “Scheldwoord homo wordt meestal gebruikt voor sukkels niet voor homo’s.”

Drie op tien jongeren geeft aan in hun klas vaak iemand voor ‘homo’ wordt uitgescholden. Ook worden scheldwoorden als ‘mietje’ (20%) en ‘flikker’ (19%) gebruikt. Eigenlijk vinden heterojongeren dat het niet kan als iemand in hun klas wordt uitgemaakt voor ‘homo’, ‘flikker’, ‘mietje’, ‘lesbo’ en ‘pot’. Maar toch vindt meer dan de helft van de heterojongeren dat je iemand voor ‘mietje’ moet kunnen uitschelden (55%).. Ook vindt iets meer dan een kwart dat het moet kunnen om iemand voor ‘homo’ uit te schel¬den.

aanbevelingen

Het onderzoek geeft ook aanbevelingen voor beleid. In de eerste plaats wordt gepleit voor zichtbaarheid, en natuurlijk voor voorlichting bijvoorbeeld in de vorm van film. " Voorlichting moet niet alleen zijn praten over LHBT’s, maar dit ook zicht¬baar maken." Een tweede aanbeveling is om de stereotypering te "vervagen". " De meerderheid van LHBT’s leven een gewoon burgerlijk leven. Ook in de gemeente Oss. Laat dat ook zien." De derde aanbeveling is om meer voorlichting te geven over biseksualiteit. De geïnterviewde biseksuelen denken dat betere voorlichting bijdraagt aan meer begrip. Zij vinden dat de huidige voorlichting te veel gericht is op man-man, vrouw-vrouw relaties. De vierde aanbeveling is om de traditionele kijk op gender te doorbreken. " Met name op peuterspeelzalen, in de kinderopvang, in het basisonderwijs en bij buitenschoolse opvang kunnen deze traditione¬le genderexpressies worden doorbroken. Kijk daarbij naar speelgoed, hobby’s en beroepen." Een vijfde aanbeveling is om meer voorlichting te geven over transgenders. De zesde aanbeveling is om de zelforganisatie van LHBTIers te ondersteunen.

beperkte impact te verwachten

EduDivers vindt dat de aanbevelingen wel erg zwaar leunen op voorlichting, en vooral op voorlichting over LHBT (nog niet I) identiteiten. Hoewel bij elke aanbeveling voor voorlichting wordt benadrukt dat het zowel gaat over zichtbaarheid als over ontmoeting, blijkt uit het onderzoek naar voorlichting dat een dergelijke aanpak maar magere effecten zal hebben. Als de gemeente Oss scholen daadwerkelijk veiliger wil maken, zullen ze prioriteit moeten geven aan het maken van goede omgangsvormen, waarin respect en samenwerking centraal staan. In dat kader zou ook het tegengaan van schelden en het onbewuste seksisme (mietje, watje) in de scholen een plaats kunnen krijgen.

Peter Dankmeijer

Bron: Van Arnhem, Boris (2017). Als ze er maar niet mee te koop lopen. Onderzoek naar het leefklimaat van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders in de gemeente Oss. Oss: Gemeente Oss

Quotes

Als we kijken naar seksuele voorkeur en gevoel van veilig¬heid dan blijken LHB-jongeren zich minder vaak veilig te voelen (figuur 4.7). Van de LHB-jongeren geeft 28 procent aan zich altijd veilig te voelen. Onder heteroseksuele jongen is dit ruim de helft (57%). Ook tussen jon¬gens en meisjes is een verschil in veiligheids-beleving. Meisjes geven minder vaak aan zich altijd veilig te voelen op school in vergelijking met jongens. Iets minder dan de helft van de meisjes voelt zich altijd veilig (49%). Onder jongens is dat 62 procent.
Een forse meerderheid van de jongeren voelt zich geaccepteerd zoals ze zijn door hun klas-genoten (figuur 4.8). Door al hun klasgenoten voelt 62 procent zich geaccepteerd. Ruim een kwart van jongeren voelt zich door de meeste klasgenoten geaccepteerd (28%). Een klein aantal jongeren voelt zich niet geaccepteerd door klasgenoten (1%).
LHB-jongeren voelen zich minder vaak geac¬cepteerd dan heteroseksuele jongeren (figuur 4.9). Ongeveer een derde van de LHB-jonge¬ren voelt zich door alle klasgenoten geaccep¬teerd. Bij heteroseksuele jongeren voelt 65 procent zich volledig geaccepteerd. Bij zowel jongens als meisjes voelt een meerderheid zich geaccepteerd door alle klasgenoten. Meisjes voelen zich wel minder vaak door alle klasgenoten geaccepteerd.

Homo-acceptatie van klasgenoten en leraren
In de puberteit ontdekken de meeste mensen tot wie ze zich seksueel aangetrokken voe¬len. Voor LHB-jongeren komt dan vaak een proces van zelfacceptatie. In de puberteit wil je niet anders zijn dan anderen. Anders zijn kan betekenen dat je buiten de groep valt. Na zelfacceptatie komt een volgende, moei¬lijke stap: de coming-out. Hoe vertel je aan mensen in je omgeving dat je je aangetrok¬ken voelt tot het eigen geslacht of tot beide geslachten. Maar vooral ook hoe zouden an¬deren deren reageren. In de vorige paragraaf zagen we al dat 1 op 10 jongeren denkt dat in zijn/ haar familie je niet kunt uitkomen voor een niet-heteroseksuele oriëntatie. We hebben vragen gesteld over hoe jongeren denken dat hun klasgenoten en leraren zouden reage¬ren en over het wel of niet openlijk vertellen (tabel 4.5).
Ongeveer een kwart van de jongeren zou het aan zijn/haar klasgenoten durven te vertel¬len als hij of zij lesbisch, homoseksueel of biseksueel (LHB) zou zijn (figuur 4.5). Daarin verschillen jongens en meisjes niet. Dat¬zelfde geldt bij het vertellen aan een leraar. Jongeren durven wel vaker aan een leraar te vertellen als ze LHB zouden zijn dan aan hun klasgenoten (41% versus 26%). Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met dat jongeren verwachten dat leraren vaker positief zouden reageren op een coming-out dan hun klasge¬noten.

Een op vijf jongeren denkt dat hun klasgeno¬ten positief zouden reageren als een klasge¬noot vertelt dat hij/zij lesbisch, homoseksueel of biseksueel is. Van leraren denkt 3 op 5 jongeren dat zij positief zullen reageren (tabel 4.5). Meisjes denken vaker dat hun klasge¬noten en leraren positief reageren op een coming-out dan jongens.

Of een leraar met een niet-heteroseksuele ori‘ntatie dit aan de leerlingen moet vertellen zijn de meningen verdeeld (figuur 4.10). Ruim een derde van de jongeren denkt dat een leraar dat beter niet voor zich kan houden. Aan de andere kant zegt bijna 1 op 5 juist van wel. Jongens vinden vaker dan meisjes dat een leraar het beter voor zich kan houden. Homo als scheldwoord
Plagen hoort bij het leven. Vooral onder jon¬gens. Iemand stelstelmatig pesten of uitsluiten kan zeer heftige gevolgen hebben. In dit onder¬zoek zijn we niet ingegaan op pesten en pestge¬drag. Wel hebben we gekeken naar het gebruik van scheldwoorden met een verwijzing naar een niet-heteroseksuele oriëntatie. Onder jongeren is ‘homo’ een geaccepteerd scheldwoord. Ze gebruiken het vaak. Ook aanverwante woorden als ‘flikker’ en ‘mietje’ zijn scheldwoorden, die jongeren met regelmaat gebruiken. Voor hetero¬seksuele jongeren hebben die woorden relatief weinig betekenis. Voor LHB-jongeren des te meer. Door het gebruik van ‘homo’ als scheld¬woord krijgt het een negatieve lading. Door de associatie met slappeling doet het met name bij jongens iets af aan hun mannelijkheid.11 Het past in het beeld dat homoseksuele jongens geen echte jongens zijn. Jongeren beschouwen deze woorden niet als stigmatiserend. Dat blijkt uit de opmerkingen van jongeren die aan dit onderzoek hebben meegedaan.

“Mietje en homo worden als grapje bedoeld en meestal niet als scheldwoord.”
“Is als grap bedoeld, moet je niet persoonlijk opvatten.”
“Heel veel mensen zien het woord mietje niet als een scheldwoord, maar plagen mensen er alleen maar mee. Wij bedoelen er meestal geen homo mee, maar watje. ik denk niet dat veel mensen mietje associëren met homo.”
“Wat heeft mietje nou met homo’s te maken? Het zijn watjes.”
“Scheldwoord homo wordt meestal gebruikt voor sukkels niet voor homo’s.”

Drie op de op tien jongeren geeft aan in hun klas vaak iemand voor ‘homo’ wordt uitgescholden. Op enige afstand gevolgd door ‘mietje’ (20%) en ‘flikker’ (19%). Jongens zeggen vaker dat ie¬mand in hun klas wordt uitgescholden dan meis¬jes. Dat geeft de indruk dat iemand uitschelden vaker onder en door jongens gebeurd.
Eigenlijk vinden jongeren dat het niet kan als iemand in hun klas wordt uitgemaakt voor ‘homo’, ‘flikker’, ‘mietje’, ‘lesbo’ en ‘pot’ (fi¬guur 4.12). Er zijn wel verschillen tussen de scheldwoorden. Meer dan de helft van jongeren vindt dat je iemand voor ‘mietje’ moet kunnen uitschelden (55%). Dat komt waarschijnlijk doordat het woord door veel jongeren niet met homoseksualiteit wordt geassocieerd. Opvallen is dat iets meer dan een kwart vindt dat het moet kunnen om iemand voor ‘homo’ uitschel¬den, terwijl dat scheldwoord het vaakst door jongeren wordt gebruikt. Meisjes vinden vaker dat het gebruik van scheldwoorden niet kan in tegenstelling tot jongens.