downloads

de organisatie van voorlichting over homoseksualiteit

Dankmeijer, Peter (1994) De organisatie van voorlichtingsgroepen over homoseksualiteit in Nederland, EduDivers Lifestyle Services

Download hier het hele rapport

samenvatting

Dit rapport is het resultaat van een enquête onder de voorlichtingsgroepen over homoseksualiteit in Nederland. De enquête had als doel om in kaart te brengen hoe de marketing mix van voorlichtingsgroepen eruit ziet.
Twee zaken vallen op. Enerzijds komt er heel wat kijken bij de organisatie van voorlichtingsgroepen en een belangrijk deel (circa 67%) van de nu actieve groepen slaagt er heel redelijk in hun taak waar te maken. Anderzijds wordt duidelijk dat er schrijnende lacunes zitten in het bereik en de kwaliteit van het aanbod.

waar voorlichtingsgroepen overeen stemmen

de inhoud van voorlichtingen

De globale doelen van de voorlichtingsgroepen zijn het voorkomen en beperken van discriminatie ten aanzien van homoseksualiteit.
De voorlichtingsgroepen richten zich in eerste instantie op het (voortgezet) onderwijs. Achter deze doelgroepkeuze ligt de redenering dat voorlichting over waarden en normen daar plaats hoort te vinden; bovendien biedt de onderbouw van het voortgezet onderwijs ruimte voor deze voorlichting. Bij lessen in het onderwijs werken de voorlichtingsgroepen bij voorkeur in blokuren. Hierbij wordt als reden genoemd dat een lesuur van 50 minuten te kort is voor voorlichting over waarden en normen.
De groepen willen zich niet op voorhand vastleggen op de thema's die aan de orde zullen komen. De onderwerpen in de voorlichting hangen voor een groot deel af van de vragen van deelnemers en van de actualiteit. Deze open benadering is deel van de succesformule van voorlichtingsgroepen: juist het feit dat deelnemers `alles' mogen vragen maakt hen geneigd in gesprek te gaan. Ondanks deze `open' benadering blijken een vijftal onderwerpen toch steeds weer terug te komen. Het gaat om: coming-out, ouders, informatie over het COC of de homogroep, homoseksualiteit ter plaatse, discriminatie en leefstijlen. Deze `standaard' onderwerpen lijken enigszins op de vijf thema's die het HOSVO in 1990 voorstelde als minimumcriteria voor adequate aandacht voor homoseksualiteit binnen seksuele voorlichting (homo/lesbische gevoelens, homo/lesbisch zijn, coming-out, leefstijlen, discriminatie). Vergeleken met de thema's van het HOSVO ligt de nadruk bij voorlichtingsgroepen echter minder op het leren herkennen van homo/hetero gevoelens en seksuele ontwikkeling en meer op discriminatie en het doorbreken van vooroordelen.
In de meeste groepen is het vertellen van een persoonlijk (coming-out) verhaal een belangrijk onderdeel van de voorlichting. Het persoonlijke verhaal boeit de deelnemers mateloos en is een unieke vorm van voorlichting die docenten of groepsbegeleiders niet kunnen bieden. Het kan een doorbraak teweeg brengen in de weerstand die veel deelnemers aan voorlichting voelen tegen homoseksualiteit.
De meeste groepen hebben geen zicht op het effect van de voorlichtingen. Daar is het aanbod te kortdurend voor. Er is natuurlijk wel sprake van directe feedback van deelnemers en docenten tijdens en na de voorlichting, maar die wordt zelden goed geregistreerd.

het prijsbeleid

De meeste groepen baseren hun prijsbeleid op het laag houden van de drempel om een voorlichting te bestellen. In de praktijk betekent dat meestal ook: de prijs laag houden. Of dit ook zo werkt is onbekend. Het lijkt erop dat de hoogte van de prijs het aantal voorlichtingen van een groep niet negatief beïnvloedt. Eerder zien we dat de grotere groepen, die beter georganiseerd zijn en het aanbod professioneler aanprijzen, meer voorlichtingen hebben terwijl zij toch de hoogste tarieven vragen. Dit speelt vooral in de grotere steden. Het kan ook zijn dat een grotere weerstand op het platteland tegen homoseksualiteit een rol speelt bij de daar vaker lagere prijzen. Naast het laag houden van prijzen in veel regio's wordt het prijsbeleid bijna overal soepel gehanteerd en worden waar nodig uitzonderingen gemaakt voor minvermogende instellingen.
Naast het lage drempel-argument vindt een aantal groepen dat de prijs de kosten van een voorlichting zou moeten dekken. Ondanks dat berekenen voorlichtingsgroepen zelden of nooit de kostprijs van hun voorlichting. De vraag naar kostprijsberekening was voor veel groepen verrassend en soms ook onaangenaam. Sommige groepen vatten hem op als een soort belediging aan het ideëe karakter van voorlichting. Een coördinator: "Nooit berekend. En dat zijn we ook niet van plan." Een andere groep: "Werkelijke kosten? -> ONZIN". Uit de weinige beschikbare gegevens mag waarschijnlijk wel geconcludeerd worden dat voorlichtingsgroepen doorgaans met extreem lage budgetten werken.

de plaats en de context

Vrijwel alle voorlichtingen vinden plaats bij de klant. Het merendeel van de groepen geeft aan voor te lichten binnen de context van het vak maatschappijleer en soms binnen godsdienst en biologie. De twee thema's die het vaakst genoemd worden zijn seksualiteit en leefstijlen.
In de meeste gevallen mag de docent bij de voorlichting aanwezig zijn, maar wordt van hem/haar gevraagd zich terughoudend op te stellen in verband met de gewenste openheid van deelnemers.

de publiciteit

De meeste groepen maken een globale doelgroepkeuze en versturen een brief naar potentiële geïnteresseerden. Men gebruikt als argumenten dat acceptatie van homoseksualiteit een noodzaak is en dat de aanbieders ervaringsdeskundigen zijn.

de voorlichters

Vrijwel alle voorlichtingsgroepen streven naar evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen als voorlichters. De redenen hiervoor zijn divers: het naast elkaar kunnen zetten van vrouwen- en mannenperspectieven is het belangrijkst, maar daarnaast hecht men soms ook aan identificatiemogelijkheden en het voorkomen van het vooroordeel dat alleen mannen homo zijn. Vrijwel alle groepen stellen eisen aan potentiële voorlichters. Men moet zijn/haar coming-out hebben verwerkt, durven praten over persoonlijke zaken en tot op zekere hoogte met groepen kunnen omgaan. De selectie van voorlichters verloopt via een sollicitatie- of kennismakingsgesprek, gevolgd door een proefperiode waarin de voorlichter wordt ingewerkt. De voorlichters nemen in principe deel aan de landelijke training. De gemiddelde voorlichter doet 1 of 2 voorlichtingen per maand en de groepen komen gemiddeld een maal per maand bijeen voor taakverdeling, onderlinge feedback (intervisie) en deskundigheidsbevordering. De voorlichters zijn vrijwilligers en krijgen geen vergoeding voor het werk. Onkosten, zoals reiskosten, worden vergoed. Aan het eind van het (school)jaar wordt iets bijzonders met de groep georganiseerd. Voorlichters ervaren de inhoudelijke uitdaging van voorlichting over homoseksualiteit en de uitwisseling met anderen daarover als een belangrijke niet-materiële beloning.

belemmerende verschillen tussen voorlichtingsgroepen

de inhoud van voorlichtingen

Bijna de helft van de groepen heeft geen doelen geformuleerd en de andere helft gebruikt nogal uiteenlopende formuleringen. Er zijn globaal twee visies: dat homoseksualiteit zeer diverse verschijningsvormen heeft en dat homoseksualiteit gelijkwaardig is aan heteroseksualiteit. Juist de kwestie `anders' of `normaal' is bij voorlichting over homoseksualiteit een kernpunt van discussie. Voorlichters moeten het met elkaar eens zijn hoe zij deze discussie hanteren en vanuit welke uitgangspunten zij de discussie ingaan. Door veel groepen wordt deze variatie gewaardeerd, bij andere kan het een bron van interne conflicten zijn. Naar de klant' toe is het beeld van de inhoud van een voorlichting door deze variatie soms onduidelijk. Uit onderzoek naar homo/lesbische docenten en naar homo/lesbische scholieren blijkt dat deze onberekenbaarheid bedreigend kan werken voor homo/lesbische personen op school. Voor de duidelijkheid onder elkaar en naar de klant toe zou deze visie meer helder kunnen worden geformuleerd.

Hoewel er niet direct naar is gevraagd, blijkt wel dat de werkwijze tijdens een voorlichting niet standaard is. De traditionele werkwijze van voorlichtingsgroepen bestond in de jaren '70 uit een korte kennismakingsronde, een introductie van het COC of de betrokken homo/lesbische groep, het bieden van gelegenheid tot vragen, het discussiëren over thema's die naar voren kwamen en een korte evaluatie. Als er geen vragen kwamen of discussie ontstond (bijvoorbeeld in een verlegen of schijntolerante groep) werd een eenvoudig associatiespel of stellingenspel gespeeld. Dit `programma' lijkt tegenwoordig minder duidelijk aanwezig te zijn. Er bestaat een grotere diversiteit in onderwerpen die aan de orde kunnen komen. De diversiteit van onderwerpen lijkt door twee redenen te ontstaan.

Ten eerste gaat men zoveel mogelijk in de wensen van de deelnemers, waardoor niet van te voren kan worden vastgesteld welke thema's zeker behandeld zullen worden. Bij gebrek aan een duidelijk `programma' kan dit een gevaar betekenen voor de inhoud van de voorlichting; men kan een `goed' gesprek hebben gehad maar toch essentiële zaken hebben laten liggen vanwege de tijd. Ten tweede weerspiegelt de formulering van sommige aangegeven thema's meer een ideologie of doelstelling van een thema (bijvoorbeeld: "homoseksueel zijn is gewoon"). Omdat voorlichtingsgroepen niet dezelfde uitgangspunten en doelen hanteren, vaak zelfs niet intern, variëren de onderwerpen en wijze van aan de orde stellen vanzelfsprekend ook. Het ontbreken van een op zijn minst globaal programma vormt een knelpunt bij het eventueel maken van landelijke publiciteit, voor het streven naar kwaliteit, voor de inbedding in schoolprogramma's en voor het evalueren op effect. Het is aan te bevelen om in samenwerking een globale gemeenschappelijke beschrijving te maken van het `standaard' programma en van programma's voor andere doelgroepen dan het voortgezet onderwijs.

Naast het ontbreken van gemeenschappelijke programma's gebruiken alle voorlichtingsgroepen verschillend materiaal. Veel groepen maken eigen videomateriaal dat wordt opgenomen van TV. De goed draaiende groepen maken eigen folders of willen dat gaan doen. De niveaus van dit soort folders lopen zeer uiteen. In de afgelopen jaren heeft het landelijk COC regelmatig vragen gekregen om de groepen bij het verzamelen, bewaren en ontwikkelen van werkvormen en materiaal te ondersteunen. Tot het afsluiten van dit onderzoek bestond daar echter geen ruimte voor. De documentatie van het HOSVO over simpele werkvormen voor voorlichting over homoseksualiteit is onder de groepen niet bekend. Dit alles leidt tot het herhaald uitvinden van hetzelfde wiel en vaak tot matige kwaliteit. Een betere uitwisseling en samenwerking bij het ontwikkelen van materiaal kan leiden tot een verhoging van de standaard en kwaliteit van de voorlichting.

het prijsbeleid

De prijzen van voorlichtingen lopen enorm uiteen. Het gratis uitvoeren van voorlichting is nobel bedoeld, maar anno 1994 niet meer erg reëel. Alle andere vergelijkbare instellingen en wellicht ook de naburige COC afdelingen of homogroepen vragen geld voor hun voorlichting en instellingen hebben er in principe geld voor beschikbaar. Om serieus genomen te worden en om in de toekomst in de eigen kwaliteit te kunnen investeren zullen op zijn minst een deel van de onkosten moeten worden terugverdiend. Bij harmonisering zal dit punt veel problemen opleveren; enerzijds vanwege de mening dat "je voor homo/lesbische voorlichting geen geld kan/mag vragen", anderzijds omdat vaardigheden ontbreken om de voorlichting adequaat aan te prijzen. Een gefaseerde invoering van het vragen van bijdragen en ondersteuning van de groepen hoe dat het best te doen is daarom gewenst.

de plaats en de context

De bereikbaarheid verschilt per groep enorm. De meeste groepen zijn slecht bereikbaar. Groepen zouden op zijn minst bekend moeten maken aan relevante instellingen (zoals Gay & Lesbian Switchboard, het landelijk COC, EduDivers Lifestyle Services en belangrijke instellingen op de lokale sociale kaart - meldpunten, RIAGG, GGD, AMW - wie de externe contactpersoon is en op welke tijden men bereikbaar is.

de publiciteit

De acquisitie van de meeste groepen is weinig systematisch. Voor de overdracht en ondersteuning zou een landelijk systeem, dat eventueel kan worden geautomatiseerd, erg nuttig zijn.
De kwaliteit van acquisitiemateriaal verschilt en zou via landelijke ondersteuning kunnen worden verbeterd.

de voorlichters

De kleine groepen zijn vaak beperkt qua mogelijkheden. Landelijk geformuleerde procedures, formulieren en handleidingen zullen vooral aan hen ten goede komen.
De coördinatoren van de groepen worden heel verschillend belast. Een betere taakverdeling en landelijk geformuleerde werkwijzen die voorkomen dat elke coördinator het wiel moet uitvinden zal dit probleem deels oplossen.

knelpunten van voorlichtingsgroepen

De voorlichtingsgroepen noemen zelf drie belangrijke problemen waar zij mee kampen.

1. De groepen hebben vaak niet genoeg vrijwilligers of de vrijwilligers lopen weg. Dit is het meest ernstig als de coördinator vertrekt. Maar ook het vertrek of niet kunnen krijgen van voorlichters is een probleem. Ten eerste leidt dit ertoe dat men minder beschikbaar is voor voorlichtingen. Het `hebben' van vier voorlichters wil niet automatisch zeggen dat men aan een aanvraag kan voldoen: de vrijwilligers moeten maar net beschikbaar zijn op het moment dat de betreffende voorlichting gepland is. In een grotere groep is dat veel makkelijker te regelen. Ten tweede is er met een grote groep voorlichters meer potentieel om materiaal, programma's en beleid te maken. Dit soort `extra' werkzaamheden wordt een kleine groep snel te zwaar.

2. De groepen zeggen vaak te weinig informatie te hebben over seksualiteit in andere culturen, waardoor het moeilijk is voor te lichten in multiculturele klassen.

3. De groepen klagen over het gebrek aan landelijke ondersteuning. Daarbij denken zij in eerste instantie aan de organisatie van uitwisseling van materiaal en van het maken van landelijke publiciteit voor voorlichting over homoseksualiteit.

Als we de resultaten van dit onderzoek nader bekijken, komen we aan een tiental andere knelpunten die de organisatie van voorlichtingsgroepen verzwakken.

1. Er is geen uitwisseling of gezamenlijke ontwikkeling van materiaal. Door het ontbreken van onderlinge contacten en samenwerking is de ontwikkeling van nieuwe materialen tijdrovend, kostbaar en voor veel groepen onmogelijk. Een informatiepunt waar groepen reeds bekende materialen kunnen opvragen of inzien en via welk groepen met elkaar in contact kunnen komen zou hier een oplossing voor kunnen bieden.

2. Er bestaat te weinig zicht op de effectiviteit van voorlichting. Er is weinig zicht op de effecten van voorlichtingen. Gezien het kortdurende aanbod zou het ook erg moeilijk zijn om aan te tonen dat er inderdaad effecten zijn op de langere termijn, hoewel dit wat de korte termijn betreft zeker wel mogelijk is. Zo is door de Universiteit van Amsterdam aangetoond dat de vertoning van de voorlichtingsfilm "Framed Youth" op zich al een anti-discriminatoir effect heeft op scholieren. In de Verenigde Staten van Amerika is hier en daar beperkt onderzoek gedaan naar de effecten van soortgelijke voorlichting als in Nederland plaatsvindt. Naast effectonderzoek onderscheidt men wel impactonderzoek en procesevaluatie. Deze soorten evaluatie zijn eenvoudiger te organiseren en een enkele voorlichtingsgroep doet dat tot op zekere hoogte ook al.
De planmatigheid en kwaliteit van het voorlichtingswerk zal gebaat zijn bij invoering en ondersteuning van evaluatie. Binnen de groepen bieden evaluatieresultaten aanleiding tot bijstelling van het beleid, naar buiten toe kan men met de resultaten aantonen dat het werk kwalitatief goed is en effect heeft.

3. Er vindt geen follow-up van voorlichting plaats. Er wordt zelden aandacht besteed aan een follow-up in de instellingen (behalve proberen opnieuw uitgenodigd te worden). Op deze manier wordt het potentiële effect van voorlichtingen ernstig tekort gedaan. Het ontwikkelen van simpele manieren waarop voorlichtingsgroepen homo/lesbisch beleid in de door hen benaderde instellingen aan de orde kunnen stellen zou een aanzet tot een betere follow-up kunnen zijn. Het opzetten van beleidsgroepen binnen voorlichtingsgroepen of afdelingen/homogroepen als geheel of op landelijke niveau zou een andere optie kunnen zijn om een beleidsmatige follow-up te geven aan het voorlichtingswerk.

4. Samenwerking met derden kan in veel gevallen beter. De mate waarin groepen contact zoeken met andere organisaties en groepen verschilt enorm. Hiervoor is geen speciale reden te vinden in de resultaten van dit onderzoek. Het niet samenwerken kan leiden tot isolatie; zeker in het onderwijsveld zal door de recente ontwikkelingen (het vaststellen van kerndoelen, basisvorming, Samen Leven) samenwerking steeds noodzakelijker worden. Training over de (on)mogelijkheden en vormen van samenwerking met verwante organisaties zou hierin verbetering kunnen brengen. Landelijk zouden vormen van samenwerking kunnen worden voorbereid, waarbij rekening wordt gehouden met de (on)mogelijkheden van voorlichtingsgroepen. Er is veel deskundigheid en enthousiasme aanwezig binnen de voorlichtingsgroepen. Aan professionele samenwerking met vrijwilligersorganisaties die geen betaalde ondersteuning hebben zitten echter vele haken en ogen. Wil samenwerking op de langere termijn een kans van slagen hebben zal moeten worden gedacht aan een zekere mate van professionalisering, ook in de sfeer van betaling.

5. De participatie in Samen Leven platforms levert vaak onvoldoende op. De samenwerking in Samen Leven platforms levert de meeste groepen weinig op aan voorlichtingen en de mate van betrokkenheid bij zo'n platform verschilt dan ook. Men vindt het hoge aantal overleguren en de overlegtijden overdag erg belastend. Vaak wordt erg veel `input' verwacht van de voorlichtingsgroep terwijl dat er niet toe leidt dat voorlichting over homoseksualiteit meer door aan de orde komt op scholen. Het onderwerp homoseksualiteit staat doorgaans niet nummer één op de prioriteitenlijst van scholen en voorlichtingsgroepen worden daardoor vaak slachtoffer van het `vraag'gerichte karakter van Samen Leven platforms. Een van de mogelijke bijdragen tot een oplossing van dit probleem is de aanpassing van het aanbod van voorlichtingsgroepen, zodat dit aantrekkelijker wordt voor scholen of beter past in een echt gezamenlijk aanbod. Een andere mogelijkheid is dat voorlichtingsgroepen worden ondersteund in het verwerven van een steviger positie binnen het platform, waardoor voor het aanbod van het COC/de lokale homo/lesbische werkgroep een duidelijke plaats kan worden veroverd naast het aanbod van GGD's, Rutgersstichting en RIAGG's. Een derde mogelijkheid is dat er landelijk een campagne wordt gestart om het beperken van homo/lesbische discriminatie net zo'n issue te maken als aidsvoorlichting en de preventie van seksueel geweld reeds is en de vraag van de scholen op deze wijze wordt gestimuleerd.

6. De meeste groepen zijn slecht bereikbaar. Wellicht moeten voorlichtingsgroepen worden ondersteund door het ter beschikking stellen van een antwoordapparaat, een on-line computer of een landelijk meldpunt voor het bestellen van voorlichtingen.

7. Doorgaans hebben groepen geen zicht op hun markt. De meeste voorlichtingsgroepen doen wel een keuze in doelgroepen, maar deze is bijna automatisch (grotendeels) beperkt tot het voortgezet onderwijs. De meeste groepen (66%) hebben geen zicht op het bereikte aantal instellingen in de regio. 54% heeft geen zicht op waarom instellingen voorlichting accepteren of afwijzen. Dit betekent dat kostbare kansen om het beleid bij te stellen worden gemist. Een betere registratie van contacten kan hier een oplossing toe bieden. Er zijn geen gevallen bekend van voorlichtingsgroepen die marktonderzoek hebben gedaan. Dit leidt ertoe dat de meeste voorlichtingsgroepen relatief ad hoc en in den blinde werken. Een vorm van marktonderzoek zou de voorlichtingsgroepen een beter handvat kunnen geven voor waar de meeste noodzaak voor voorlichting ligt, welke vragen er leven, vanuit welke achtergronden deze vragen leven en welke ruimte er is om een vergoeding te vragen. De voorlichtingsgroepen hebben echter geen ervaring met marktgericht werken of met onderzoek. Dit probleem kan worden aangepakt door landelijk onderzoek of vragenlijsten te ontwikkelen, door training en coaching.

8. De acquisitie van voorlichtingen gebeurt vaak weinig systematisch. De meeste voorlichtingsgroepen doen slechts beperkt aan acquisitie. Alle stappen van het acquisitieproces kunnen beter worden ondersteund. Automatisering van contacten, ook op het niveau van de hele COC-afdeling of homo/lesbische werkgroep, is gewenst om de public relations te verbeteren.

9. De werving van voorlichters verloopt vaak moeizaam. Veel voorlichtingsgroepen hebben moeite met het werven van nieuwe voorlichters en soms met het vasthouden van voorlichters. De groepen willen vaak een breed spectrum aan voorlichters in hun midden hebben, maar vaak lukt dat niet goed. De voorlichters worden meestal geworven via-via en door publiciteit binnen COC bladen en lokale universiteitsbladen. Gezien deze methoden is het niet verbazend dat de voorlichters vooral HBO opgeleid, jong en wit zijn. Een meer doordachte en bredere werving zou meer kunnen opleveren.

10. De continuïteit van de coördinatie is niet gegarandeerd. In de meeste groepen zijn coördinatoren zwaar belast. Mede hierdoor is het moeilijk nieuwe coördinatoren te vinden na vertrek van een oud-coördinator. Dit kan ertoe leiden dat er een coördinatorloze periode ontstaat waarin de voorlichtingsgroep organisatorisch instort en de continuïteit verloren gaat. Dit complex van problemen kan worden opgelost door een betere beschrijving en planning van taken, een goede verdeling/spreiding van taken, het aanstellen van een vice-coördinator, co-coördinator, assistent-coördinator of het instellen van een coördinatieteam. Het nadrukkelijker en wellicht extra belonen van deze functie is aan te bevelen. Eventueel kunnen delen van de taak worden uitbesteed aan een stafkracht of een extern bureau.

Download hier het hele rapport