downloads

verschillen verkend: allochtone jongeren over homoseksualiteit

De studente Jacomijn de Vries heeft in opdracht van Forum (Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling) een onderzoek gedaan naar de mening van allochtone leerlingen over (homo)seksualiteit en over homoseksuele docenten. Daarvoor heeft zij interviews gedaan met 16 ouders, 21 docenten (waarvan 8 homo- of lesbisch) met 83 Turkse, Marokkaanse en Surinaamse leerlingen.

In dit factsheet vindt men een samenvatting van haar conclusies en we gaan wat dieper in op haar bevindingen over jongeren. Deze tekst is een door EduDivers enigszins geredigeerde versie van de belangrijkste conclusies uit het onderzoek van Jacomijn de Vries, dat bij Forum is uitgebracht onder de titel: "Verschillen Verkend" (ISBN 90-5714-033-0). Het boekje (94 blz.) kan besteld worden bij Forum, (030-297 4321) of onder o.v.v. bestelnummer 983.1000

algemene conclusies

Dit onderzoek geeft een indicatie van de mening van allochtone leerlingen over (homo)seksualiteit en homoseksuele docenten. De interviews met ouders en docenten completeren dat beeld. Dit is een kwalitatief onderzoek met een kleine, niet volledig representatieve steekproef. Daarom moeten deze conclusies met enige voorzichtigheid worden gehanteerd. Wel levert het onderzoek een aantal waardevolle inzichten op.

We kunnen stellen dat het met de tolerantie onder allochtone jongeren niet zo slecht gesteld is als de berichten in de media ons in 1997-98 deden geloven. Toch hebben we in dit onderzoek ook wel problemen opgemerkt. Verder onderzoek naar de verschillen en overeenkomsten met autochtone leerlingen is nodig.

de houding ten opzichte van homo- en lesbische docenten

De meerderheid van de allochtone leerlingen staat tolerant ten opzichte van homoseksuele docenten. Deze tolerantie betekent niet dat er ook sprake is van acceptatie van homoseksualiteit. Dat blijkt uit de geringe tolerantie voor homoseksualiteit in de familiekring. Een kleine groep allochtone leerlingen, met name op het IVBO, heeft een discriminerende houding naar docenten toe. Dit zijn vooral Turkse en Marokkaanse leerlingen. De situatie op het IVBO is zo homonegatief dat dit tot problemen zou kunnen leiden als een docent uit zou komen voor zijn homoseksualiteit.

Het lijkt er op dat leerlingen die langer in Nederland verblijven een tolerantere houding hebben. Dit geldt in mindere mate voor de Marokkaanse leerlingen. Jongens zijn over het algemeen minder tolerant dan meisjes. De intolerantie onder jongens richt zich in het bijzonder op mannelijk homoseksuele docenten.

voorlichting over homoseksualiteit

Er leven veel vooroordelen en misvattingen over homoseksualiteit onder de leerlingen. De kennis over homoseksualiteit is op alle niveaus gering. Dit is een direct gevolg voor het ontbreken van informatie over homoseksualiteit in seksuele voorlichting.

Een grotere inspanning is hier op zijn plaats. De school zal meer adequaat moeten inspringen op het gebrek aan kennis en de daaruit voortkomende vooroordelen. Dit kan onder meer door een beleid te ontwikkelen om de leerlingen te informeren en te corrigeren. Deskundigheid van de docent en goed informatiemateriaal zijn voorwaarden voor een gedegen voorlichting. De school moet zulke voorwaarden creëren.

Het is ook belangrijk om het effect en de interpretatie van voorlichting te peilen. Er is weinig zicht op het beleid van scholen ten aanzien van seksuele voorlichting en voorlichting over homoseksualiteit. Ook is niet bekend hoe voorlichting in de praktijk wordt gegeven. De onderwijsinspectie kan hier mogelijk een taak vervullen.

Allochtone scholieren tonen interesse in voorlichting over homoseksualiteit. Een meerderheid van de leerlingen staat hier voor open. Het is belangrijk om van deze belangstelling gebruik te maken en de kennis van leerlingen te verhogen. Het kan mogelijk goed werken om ouders meer te betrekken bij de voorlichting die een school geeft. Bovendien hebben ook ouders behoefte aan voorlichting. Zij laten duidelijk hun interesse hiervoor blijken.

mening van docenten

Het feit dat docenten hun homoseksualiteit uit komen en daarbij als (homoseksueel) persoon populair zijn, speelt een belangrijke rol binnen de acceptatieprocessen binnen de school. Homo- en lesbische docenten lopen hierbij wel risico's en zo'n voorbeeldfunctie is voor hen ook een taakverzwaring. Het is aan te bevelen hen extra te ondersteunen. Daarnaast is het een onterechte verwachting dat een homovriendelijke schoolcultuur van hen afhankelijk zou kunnen zijn of op hun schouders zou moeten rusten.

De school moet een open klimaat voor homoseksualiteit bewerkstelligen. De schoolleiding moet daarvoor verantwoordelijkheid nemen.

Het is opmerkelijk dat juist lesbische docenten zich eerder onveilig voelen. Zij komen minder snel uit voor hun homoseksualiteit. Dit is opmerkelijk omdat de leerlingen, met name jongens, een tolerantere houding hebben ten opzichte van lesbische docenten dan ten opzichte van mannelijke homoseksuele docenten.

Het is duidelijk dat begrip en meer kennis over homoseksualiteit moeten worden bevorderd. Meer kennis zou vooroordelen en angsten weg kunnen nemen.

de mening van allochtone ouders

In dit onderzoek werd maar een beperkt aantal ouder ondervraagd. Maar van deze ouders staan bijna alle positief tegenover het geven van seksuele voorlichting op school. Ouders willen hierbij graag betrokken worden of daarvan op de hoogte worden gesteld. Voorlichting over homoseksualiteit wordt geaccepteerd, mits de leerlingen dit neutraal wordt gegeven en het niet leidt tot stimulatie van homoseksueel gedrag. Hiermee geven de ouders ook een vooroordeel weer. Dit geldt tevens voor hun houding ten aanzien van homoseksuele docenten. Zolang zij afstand houden van de leerlingen kan een aantal ouders een homoseksuele docent accepteren. Een ander deel van de ouders vindt dat de geaardheid van een docent geen probleem moet zijn en niet ter zake mag doen.

resultaten uit het onderzoek onder allochtonen leerlingen

We onderscheiden twee trends. In de eerste plaats zien we een verschil in benadering van homoseksualiteit tussen jongens en meisjes. Ten tweede zien we een trend tot sterkere afkeuring van homoseksualiteit door scholieren die op een lager niveau studeren.

Jongens zijn over het algemeen minder tolerant dan meisjes. Dit verschil tekent zich het duidelijkst af bij de benadering van een homoseksuele docent of een homoseksuele broer of zus. Het aantal jongens dat een broer of zus in dat geval zou verstoten is zes keer zo groot als het aantal meisjes dat dit zou doen. Bij een homoseksuele docent is de groep jongens die dat onaanvaardbaar vindt aanzienlijk groter dan de groep meisjes. Een opmerkelijk uitzondering in deze trend is dat op het IVBO het verschil tussen meisjes en jongens verdwijnt. Wel moet hierbij worden gezegd dat de geïnterviewde meisjes op het IVBO over het algemeen korter in Nederland zijn dan de jongens op het IVBO. Meisjes die langer in Nederland verblijven, of zelfs hier geboren zijn, vertonen toleranter gedrag dan jongens die net zo lang in Nederland verblijven. Hieruit kunnen we afleiden dat meisjes hun ideeën makkelijker aanpassen.

De twee gesignaleerde trends zijn trends die ook in het nationaal scholieren onderzoek en het onderzoek van Anne Kersten (1994) onder autochtone leerlingen naar voren kwamen. Dit is dus niet zo zeer gebonden aan de culturele achtergrond van de geïnterviewde allochtone leerlingen.

De houding van de autochtone leerlingen komt ook op enkele andere punten overeen met die van allochtone leerlingen. Naast de twee bovenstaande trends wordt duidelijk dat jongens toleranter zijn naar lesbische vrouwen dan naar homoseksuele mannen. In het onderzoek van Kersten wordt gesignaleerd dat een derde van de leerlingen zich ongemakkelijk voelt in de confrontatie met een homoseksuele klasgenoot, uit angst voor de eigen reputatie en uit angst dat de ander wat zou willen. Deze angst zien we bij allochtone leerlingen terug bij hun benadering van een homoseksuele broer of zus en een homoseksuele docent.

We kunnen dus constateren dat er in ieder deels geval sprake is van dezelfde trends onder allochtone en autochtone leerlingen. In dit en andere onderzoeken zijn geen of onvoldoende autochtone én allochtone scholieren meegenomen, waarvan we antwoordpercentages kunnen vergelijken. Bovendien zijn niet exact dezelfde vragen gesteld. Het is daarom moeilijk om op basis van de beschikbare gegevens vast te stellen of de mate van intolerantie bij allochtone leerlingen hetzelfde is als bij autochtone leerlingen. Nader onderzoek zou hierover uitsluitsel kunnen geven. Daarbij is het van belang na te gaan wat precies de ideeën zijn van allochtone leerlingen en op grond waarvan zij die hebben.

seksualiteit

Het grootste gedeelte van de geïnterviewde allochtone leerlingen vindt dat er in het openbaar over seksualiteit gepraat mag worden. Onder deze meerderheid bevinden zich alle ondervraagde Surinaamse leerlingen. Zij geven blijk van een open opstelling ten opzichte van seksualiteit.

Sommige Marokkaanse en Turkse leerlingen vinden dat er niet over seksualiteit in het openbaar gepraat mag worden. Het aantal leerlingen dat niet in Nederland is geboren is licht oververtegenwoordigd in deze groep, evenals het aantal IVBO leerlingen.

Bijna alle leerlingen praten zelf wel over seksualiteit met vrienden. Dat geeft aan dat er in principe geen taboe bestaat op het spreken over seksualiteit. Met name bij Turkse en Marokkaanse ouders lijkt dit taboe wel aanwezig te zijn, omdat de grote meerderheid (respectievelijk 71 procent en 85 procent) met zijn ouders nooit over seksualiteit praat.

Dat dit een culturele achtergrond heeft, geven de Turkse en Marokkaanse leerlingen zelf aan. Ze zeggen dat het niet 'hoort' in hun cultuur om daar thuis over te praten. Of ze zeggen dat het niet mag vanwege de islam. Ook van de Surinaamse leerlingen praat meer dan de helft nooit met hun ouders over seksualiteit (58 procent). Dit kan ook een culturele achtergrond hebben, hoewel dit door de leerlingen niet wordt aangegeven.

voorlichting

Het is bemoedigend om te zien dat 89 procent van alle leerlingen open staat voor seksuele voorlichting op school. Slechts 5 procent van alle leerlingen vindt dat jongens en meisjes apart voorlichting zouden moeten krijgen. Deze leerlingen zijn allemaal Marokkaanse IVBO leerlingen.

Minder bemoedigend is dat 18 procent van de geïnterviewde allochtone leerlingen zegt nooit seksuele voorlichting te hebben gehad. De basis- en middelbare scholen laten hier hun taak dus liggen. Turkse (87 procent) Marokkaanse (85 procent) en Surinaamse (90 procent) leerlingen ontlopen elkaar niet veel in hun positieve houding ten opzichte van seksuele voorlichting op scholen.

Deze positieve houding ten opzichte van voorlichting blijft enigszins gehandhaafd als het gaat om voorlichting over homoseksualiteit. 61 procent staat positief tegenover voorlichting over homoseksualiteit. Een klein gedeelte van de leerlingen vindt dit belangrijk, omdat leerlingen dan gewaarschuwd zijn. Het grootste gedeelte vindt echter dat het erbij hoort en heeft er bovendien zelf vragen erover. De leerlingen die tegen zijn, vinden het niet zo nodig, terwijl slechts een kleine groep er gewoon niks over wil horen. Dit zijn IVBO leerlingen en voornamelijk Marokkanen. De Surinaamse leerlingen staan het meest open voor voorlichting over homoseksualiteit, gevolgd door de Turkse leerlingen en als laatste de Marokkaanse leerlingen.

homoseksualiteit

Geprobeerd is om zicht te krijgen op eventuele culturele en religieuze achtergronden van de meningen van allochtonen ten opzichte van (homo)seksualiteit. Daarom is er aan de leerlingen gevraagd of zij weten wat er in hun land van herkomst wordt gedacht over homoseksualiteit en waarom dat zo is.

Geen van de Surinaamse, Turkse of Marokkaanse leerlingen denkt dat er in hun land van herkomst positief wordt gedacht over homoseksualiteit. Van de Turkse leerlingen weet 6 procent niet hoe er in Turkije over homoseksualiteit word gedacht, bij de Marokkaanse leerlingen is dit 3 procent, terwijl dit bij de Surinaamse leerlingen 26 procent is. Dit kan er op duiden dat de Surinaamse leerlingen losser staan van hun Surinaamse cultuur die bovendien divers er is. Aangezien alle Surinaamse leerlingen hier geboren zijn is dit niet onaannemelijk.

Van de Turkse leerlingen volgens wie er negatief gedacht wordt over homoseksualiteit (81 procent), denkt 7 procent dat het in Turkije minder voorkomt. 14 procent zegt dat je homoseksualiteit in Turkije minder ziet, maar weet niet zo goed waarom. Een kwart van de leerlingen die meent dat men in Turkije negatief over homoseksualiteit denkt, koppelt dit aan de islam. Eén leerlinge zegt zelfs dat islamieten nooit homoseksueel zijn. De Turkse leerlingen zijn dus behoorlijk op de hoogte van een andere kijk op homoseksualiteit in Turkije. Ze tonen vooral dat ze zich bewust zijn van de botsing tussen islam en homoseksualiteit. Turkse leerlingen zijn behoorlijk op de hoogte.

De Marokkaanse leerlingen lijken nog meer verbonden met hun land van herkomst. 93 procent van hen zegt dat er in Marokko negatief over wordt gedacht en 18 procent van hen is er van overtuigd dat homoseksualiteit zelfs helemaal niet voorkomt, terwijl nog eens 32 procent denkt dat het minder voorkomt. Dit koppelen ze aan de islam en ook aan de strengere maatschappij. De Nederlandse maatschappij is veel vrijer, te vrij zelfs vinden enkelen.

Van de Surinaamse leerlingen weet 69 procent te vertellen dat ze in Suriname negatief staan tegenover homoseksualiteit. Er wordt echter niet gerefereerd aan geloof om deze negatieve houding te verklaren. Wel weten de leerlingen dat het in Suriname een taboe is voor de familie. Vandaar dat homoseksualiteit daar ook verborgen is. Het lijkt er op dat de Surinaamse leerlingen het meest los zijn van hun land van herkomst en dat Marokkaanse leerlingen er nog het meest aan vast zitten. De Marokkaanse leerlingen praten op een positieve manier over Marokko, waar homoseksualiteit niet voorkomt.

Turkse leerlingen geven aan dat ze op de hoogte zijn van een verbod op homoseksualiteit binnen de islam en dat ze het ook wel eens zijn met dit verbod. Drie leerlingen geven aan het met dit verbod eens te zijn. Iets minder dan de helft van de Marokkaanse leerlingen wist niet wat er in de islam over homoseksualiteit werd gezegd, terwijl zij juist het niet voorkomen van homoseksualiteit in hun land van herkomst koppelden aan de islam. De Marokkaanse IVBO leerlingen zijn oververtegenwoordigd in de groep leerlingen die het niet wist. Drie leerlingen zeggen dat het verbod in de koran voor hen bepalend is. Het zou kunnen zijn dat de leerlingen die niet weten wat hun geloof er over zegt, bedoelen niet te weten wat er precies in de koran over staat.

Onder de Surinaamse leerlingen met een religie (13 van de 19) volgt slechts één leerlinge, een Jehovagetuige, het verbod in haar religie. De invloed van religie is duidelijk het minst bij de Surinaamse leerlingen en heeft bij Turkse en Marokkaanse leerlingen wel degelijk invloed op hun standpunt. Wel vinden leerlingen vaak een eigen weg binnen hun religie. Als leerlingen het eens zijn met het verbod van de islam, hoeft dat niet meteen tot een veroordeling te leiden.

De achtergrond van de Surinaamse leerlingen wijkt af van die van de Marokkaanse en Turkse. Ook tussen Turkse en Marokkaanse leerlingen zitten ongetwijfeld veel verschillen in achtergrond. Het is moeilijk vast te stellen hoe groot die verschillen zijn als het gaat over de benadering van homoseksualiteit in Turkije en Marokko. Er zit wel verschil tussen de reacties van Turkse en Marokkaanse leerlingen; de reacties van Surinaamse leerlingen wijken sterk af van die van Turkse en Marokkaanse leerlingen.

De ideeën van de Surinaamse leerlingen over het ontstaan van homoseksualiteit zijn opvallend anders dan de ideeën van Turkse en Marokkaanse leerlingen. Meer Surinamers denken dat homoseksualiteit is aangeboren dan Turken en Marokkanen. De Surinaamse groep zou zich hierdoor minder bedreigd kunnen voelen door homoseksuele personen dan Turkse en Marokkaanse leerlingen. Dit wordt echter tegengesproken door het feit dat de meerderheid van de Surinaamse leerlingen wel denkt dat homoseksualiteit te veranderen is. Misschien denken ze dat deze verandering alleen vanuit de persoon zelf kan komen en het niet door de omgeving kan worden bewerkstelligd. De ideeën van de Surinaamse leerlingen zijn toleranter. Dit blijkt duidelijk uit de houding van Surinaamse leerlingen ten opzichte van een homoseksuele broer of zus en ten opzichte van homoseksuele docenten. Geen enkele Surinaamse leerling vindt een homoseksuele docent onaanvaardbaar en geen enkele Surinaamse leerling zou een broer of zus die homoseksueel is, verstoten. Dit gebeurt ook niet op het IVBO. Binnen de Surinaamse groep is het onderwijsniveau lang niet zo bepalend als bijvoorbeeld in de Marokkaanse groep.

De Marokkaanse leerlingen zijn een stuk harder in het oordelen over een homoseksueel familielid dan de Turkse. Zij zou vaker dan anderen overgaan tot verstoting. Het deel van de Marokkaanse leerlingen die niet tot verstoting zouden overgaan lijkt over de hele breedte iets toleranter.

De invloed van verblijfsduur bij Marokkaanse leerlingen is beperkt, terwijl deze bij Turkse leerlingen wel aanwezig is. Schooltype is met name bij de Marokkaanse groep erg bepalend. De IVBO leerlingen gaan het meest over tot verstoting, ook als ze in Nederland zijn geboren. De Turkse IVBO leerlingen zeggen het vaakst een homoseksuele broer of zus te zullen verstoten. Deze leerlingen zijn korter dan vijf jaar in Nederland.

Deze hardere opstelling ten opzichte van familie zet echter niet door in de houding ten opzichte van docenten. Het aantal Marokkaanse leerlingen dat zegt een homoseksuele docent onaanvaardbaar te vinden is kleiner dan het aantal Turkse leerlingen. De drie Marokkaanse leerlingen die een homoseksuele docent onaanvaardbaar vinden zijn alle drie afkomstig van het IVBO (drie van de 11 IBVO leerlingen). Dit betekent dat geen van de Marokkaanse VBO tot en met VWO of MBO leerlingen een homoseksuele docent onaanvaardbaar vindt. Bij de Turkse leerlingen vinden twee van de vijf IVBO leerlingen een homoseksuele docent onaanvaardbaar, maar ook op het VBO t/m VWO hebben leerlingen daar problemen mee.

Uit de houding van Turkse en Marokkaanse leerlingen ten opzichte van een homoseksuele broer of zus en in mindere mate van de Surinaamse blijkt, dat ze moeite hebben homoseksualiteit te accepteren. Eerder hebben we vastgesteld dat de islam bij een bepaalde groep leerlingen nog wel degelijk een rol speelt in hun visie op homoseksualiteit. Veel leerlingen hebben moeite met homoseksualiteit. Ze vinden het moeilijk om vanuit hun traditie een homoseksuele broer of zus te accepteren en te tolereren.

Het verschil tussen acceptatie en tolerantie is van belang bij deze inventarisatie. Veel islamitische leerlingen lijken moeite te hebben met het accepteren van homoseksualiteit. Binnen de Nederlandse maatschappij kunnen ze homoseksualiteit wel tolereren. Een meerderheid van de leerlingen stelt zich tolerant op ten opzichte van een homoseksuele docent. Veel leerlingen, met name jongens, geven echter wel aan afstand te willen houden. Dit duidt op een gebrek aan acceptatie van homoseksualiteit.

Bovendien spreekt hier een zekere angst uit voor een homoseksueel.

Onder vrijwel alle leerlingen van elk niveau en elke etniciteit, bestaan verkeerde ideeën over homoseksualiteit. Transseksuelen, travestieten, biseksuelen en homoseksuelen worden nogal eens door elkaar gehaald. Alles dat "afwijkt" wordt in hetzelfde hokje gestopt. Dit gebrek aan adequate informatie moet worden tegengegaan, zodat meer begrip zal ontstaan en acceptatie kan worden bewerkstelligd.

Op het IVBO is er sprake van een zeer negatieve sfeer naar homoseksuele docenten toe. Ook staan op het IVBO de leerlingen het meest negatief tegenover voorlichting over homoseksualiteit. Ik wil niet zeggen dat er geen enkel probleem is op de andere niveaus. Ook hier zijn enkele leerlingen die een homoseksuele docent onaanvaardbaar vinden (het aantal leerlingen dat een homoseksuele docent niet zo leuk vindt is zo'n 10 procent op het VBO t/m VWO en 16 procent op het MBO). Deze leerlingen zullen in staat zijn tot het maken van denigrerende opmerkingen tegenover docenten.

In het algemeen kunnen we stellen, dat er onder Turkse en Marokkaanse leerlingen en in minder mate onder Surinaamse leerlingen nog geen sprake is van acceptatie van homoseksualiteit. Dit gebrek aan acceptatie tekent zich het scherpst af bij de houding ten opzichte van een homoseksuele broer of zus. Homoseksualiteit wordt echter wel door veel leerlingen getolereerd in de Nederlandse samenleving. Echter op het IVBO is dit niet het geval. Op het VBO t/m VWO en het MBO wordt homoseksualiteit door de meeste leerlingen getolereerd, hoewel niet altijd gewaardeerd.